Briljante meesterpianist Hamelin laten noten bloeien

Hoe kon het dat het Concertgebouw zondagavond niet propvol zat voor de komst van Marc-André Hamelin? Misschien heeft de Canadees niet de uitstraling van een klassieke meesterpianist. Aan zijn pianospel kan het niet liggen. Dat is, kon het publiek van de serie Meesterpianisten vaststellen, briljant en zoals we het zelden horen. Centraal in het fraai opgebouwde programma stonden de Chopin-bewerkingen van Leopold Godowski (1870-1938). De componist legde de loep op Chopins Études. Die zijn al hondsmoeilijk, en Godowski maakte er arrangementen van die nóg moeilijker zijn, wat hem (ten onrechte) het label pianist voor pianisten opleverde. Hij vatte études samen in stukken voor enkel de linkerhand. Schijnbaar moeiteloos liet Hamelin zijn vingers op de toetsen vallen. Perfecte houding, met rechterhand strak aan zijn pianokruk, iedere noot kwam tot bloei. Hamelin opende met een Haydn-sonate, die hij speels en vol lichtheid vertolkte. Toch blinkt hij vooral uit in repertoire op het snijvlak van de 19de en 20ste eeuw. Hamelin kan prachtig gebonden spelen. Snelle figuren komen feilloos en zeldzaam vloeiend tot klinken. Als je iets op zijn spel aan moet merken, is dat hij in pedaalgebruik wat monotoon is. En waar de grote pianist Claudio Arrau Godowski ooit verweet dat hij niet voorbij mezzoforte kwam, kun je dat ook van Hamelin zeggen – hij zoekt het niet in groot dynamisch contrast. Dat liet hij pas toe in Liszts Venezia e Napoli, waarop een staande ovatie volgde.