Discriminatie in literaire wereld? Show, don’t tell

Een van de eerste dingen die ik maakte als beginnend journalist was een radioprogramma samen met de socioloog Frank Bovenkerk, over discriminatie op de arbeidsmarkt. Volgens wat nu bekend staat als de ‘methode-Bovenkerk’, het opnemen van sollicitatiegesprekken, had Bovenkerk aangetoond dat zogeheten ‘allochtonen’ bij gelijke geschiktheid aanzienlijk minder kans hadden een baan te krijgen dan autochtone Nederlanders.

Ondanks de bergen bewijs vindt die discriminatie nog steeds plaats, zoals begin dit jaar nog eens geconstateerd werd door OESO en Eurostat. Nergens in Europa is het zo slecht gesteld met de arbeidskansen van niet-westerse immigranten. Waarschijnlijk is dat vooral omdat aan zulke discriminatie weinig risico’s aan verbonden zijn. Een agressieve opsporing en vervolging, liefst gecombineerd met naming and shaming, zou heel wat schelen. Juist omdat Nederlanders racisme niet zien als onwenselijk gedrag, zoals in Amerika, maar als een verderfelijke overtuiging, wil niemand ermee in verband gebracht worden.

Het is maar al te gemakkelijk om dit soort gedrag te ontkennen, dat had Bovenkerk goed gezien, dus de eerste stap is: onomstotelijk bewijs.

Dat is de zwakte van het artikel van Ebissé Rouw, onlangs in deze bijlage, over de ondraaglijke witheid van het literaire milieu. Zij las een artikel in de Volkskrant over Das Magazin, een succesvol literair tijdschrift van de jongste literaire generatie. De Volkskrant zag daarbij „een cruciaal punt over het hoofd”, meent Rouw: „Het is wit.” En dat terwijl „bijna 50 procent van de Amsterdamse bevolking roots van niet-westerse komaf heeft”, schrijft zij.

Dus de literaire wereld moet een afspiegeling zijn van Amsterdam? Ha, over elitair gesproken. Is de basketbalsport en afspiegeling van de Amerikaanse bevolking? De klassieke muziekwereld een afspiegeling van de Nederlandse? Nee? Is dat erg?

Maar vooral: wat is zo’n constatering waard als je niet aannemelijk maakt dat allochtoon literair talent entree zoekt tot het literaire circuit, en daarbij wordt tegengewerkt? Wat als ‘allochtonen’ gewoon minder belangstelling hebben voor de literaire wereld?

Rouw gaat nog verder; verontwaardigd werpt zij de vraag op waarom „de uitgeverswereld niet in staat blijkt een Nadifa Mohamed of Zadie Smith in Nederland te ontdekken”.

Verplaatsen wij ons in gedachten naar de besloten uitgeverssociëteit ‘Slegs Blankes’. Aan de bar hangt een stel lelijke, dikke, witte uitgevers.

„Trouwens, ik kreeg van de week nog een magistraal meesterwerk opgestuurd, maar ja, Turkse …”

„Och man, die krijg ik ook zo vaak. Van de week nog, van een Antilliaan. Geniaal! Ik heb ’m voor de zekerheid nog even gegoogled, je hebt ook blanke Antillianen namelijk, weet je, maar nee hoor, hartstikke zwart.”

„Tja, en dan neem je maar weer een flutboek van een leuke Hollandse meid in productie.”

Maar wacht eens, er verschijnen in Nederland toch voortdurend boeken van ‘allochtone’ auteurs? Op dit moment kijk ik naar een internetlijst van 22 namen, van Kader Abdolah tot Nilgün Yerli, auteurs die niet alleen een uitgever hebben gevonden, maar ook veelvuldig in de media verschijnen. Sterker, om te debuteren zou een exotische naam en/of ‘getinte huidskleur’, zoals dat bij Opsporing verzocht heet, wel eens een voordeel kunnen zijn. Al was het maar vanwege het diversiteitsstreven van de media. Dat is per saldo precies het omgekeerde van wat Ebissé Rouw suggereert.

De simpele waarheid is vermoedelijk dat Nederland gewoon geen Zadie Smith hééft. En zo vreemd is dat nu ook weer niet. Hebben we wel een Harold Pinter, een Ian McEwan, een Graham Greene, een Martin Amis? Hetgeen allemaal niet uitsluit dat ook in de literaire wereld, net als op de rest van de arbeidsmarkt, discriminatie plaatsvindt. Maar, zou ik zeggen, als een docent creatief schrijven: show, don’t tell.