Trouw

Mijn vriend wees me erop dat ik overdreven trouw ben. Het escaleerde toen het ging om ‘de schoenenman’.

„Wacht”, zei J. toen hij op het punt stond om de deur uit te gaan, „kun je nog even die bruine schoenen aangeven? Die zolen zitten los. Als ik ze vandaag niet laat maken, kan ik ze vanavond niet aan.” „O, maar dan moet je echt naar die ene schoenmaker op de De Clercqstraat”, zei ik.

„Ik moet helemaal niets, schat”, zei mijn vriend, een dwangmatige reflex van hem wanneer hem iets wordt opgedragen. „Ik ga nu naar Oost. Ik zoek daar wel wat. Mag ik m’n schoenen nou?” „Nee echt”, zei ik, „mijn schoenenman is serieus de beste, geloof me.” Ik hield zijn schoenen stevig vast. „Marscha, niet weer dit, we hebben het over schoenen. Er zit gewoon een zooltje los, dat kan elke jan lul maken. Ik ga godverdorie niet kilometers omfietsen voor jouw schoenmaakkampioen, hoor.” „Hoezo niet?! Dit waren dure schoenen, toch? Dan maakt het echt uit als het goed gebeurt. Weet je wat? Ik breng ze wel, ik heb zelf ook nog een paar waar al maanden een nieuwe hak onder moet.”

J. griste echter de schoenen uit mijn hand, gaf me een meewarige aai over mijn hoofd en trok de deur achter zich dicht.

‘Weet je wat jij hebt? Jij hebt een soort omgekeerde bindingsangst”, opperde hij die avond. „Hechtingsdrang. Maar dan vooral met mensen die je nota bene betaalt.” J.’s bruine schoenen glommen me smalend tegemoet. ‘Zijn’ mannetje, een toevallige hakkenbar ergens in Oost, had ze binnen het uur waarin hij de zolen keurig gemaakt had, ook even lekker gelapt en het was verdorie nog een fractie goedkoper geweest ook dan bij ‘mijn’ schoenmaker. Dat stak. Toch zou ik mijn hakken alsnog bij de De Clercqstraat laten maken, omdat ik ze daar zo lief vind, want daar gaat het natuurlijk ook om, of misschien wel vooral. Het zijn niet alleen vakmensen, het zijn sympathieke vakmensen. Die koester ik.

‘Laten we wel wezen”, vervolgde J., „jij hebt nogal een voorkeur bij welke winkels je wel en niet naar binnen wil – al helemaal bij boekhandels. Je komt altijd ladderzat terug van je belastingconsulent, je fietst, totaal onpraktisch, helemaal naar Buitenveldert voor je vertrouwde tandarts, je wil alleen maar geknipt worden door Floor, alleen maar yogaën bij Huub en je wilde bijna niet naar een ander stadsdeel verhuizen omdat je zo gehecht bent aan je huisarts, je verloskundige en de crèche. Soms klaag je zelfs dat je je eigen kassière mist als je naar een ‘vreemde’ supermarkt gaat. Dat gaat ver, hoor. Ik vraag me gewoon af waar die neiging vandaan komt. Is het misschien iets uit je jeugd? Is het iets wat je onbewust hebt meegekregen van het oorlogstrauma van je grootouders? Is het soms Indisch? Een of ander koloniaal complex?”

Het was even stil. We dachten beiden na. „Weet je wat het is?”, zei hij toen. Ik voelde dat er nu een heftig statement kwam. „Dorps!”

Dorps. Ik wist dat ik het in me had.