Opinie

De vrouw die excuus wilde vragen aan Irak

Behalve de vredesactivist die een hoge adviseur van het Amerikaanse leger werd, mengde zich deze week geen wonderlijker figuur in het debat over Irak dan Robert D. Kaplan. Deze Amerikaanse journalist en reisschrijver is vooral bekend (ook in Nederland) om zijn boeken over de Balkan, de Amerikaanse strijdkrachten, de Indische Oceaan en het strategische belang van de Zuid-Chinese Zee. Hij houdt van de grote greep.

Deze week opperde Kaplan om de chaos in Irak en de rest van de Arabische wereld maar op te lossen met een terugkeer naar westers imperialisme. Hij erkent dat imperialisme „tegenwoordig een slechte naam heeft”. Maar gedurende het grootste deel van de geschiedenis is het een beproefde methode gebleken om de orde te bewaren, stelt hij in een artikel voor Foreign Policy. „In 2017 zal een nieuwe Amerikaanse president misschien proberen de imperialistische invloed van het Westen te herstellen”, schrijft hij hoopvol. Al moet er dan natuurlijk wel een andere naam voor worden verzonnen, voegt hij er behulpzaam aan toe.

Onder welke naam ook, een herboren westers (dus in de praktijk Amerikaans) imperialisme zal in de Arabische wereld vooral op fel verzet kunnen rekenen. Als er in het Westen al steun bestaat om nieuwe, onzekere militaire avonturen te gaan ondernemen.

Het pleidooi van Kaplan gaat voorbij aan de diepe (en eeuwenoude) weerzin tegen westerse inmenging, laat staan overheersing of bezetting. Maar het stuk illustreert in zijn ondoordachtheid wel mooi de radeloosheid in het Westen, nu het er steeds meer op lijkt dat Irak hard bezig is uiteen te vallen. Nadat Islamitische Staat onlangs de stad Ramadi had veroverd, schreef de Financial Times dat IS „in essentiële opzichten meer een staat is dan Irak, dat de wil en de argumenten mist om zichzelf als natie te verdedigen”. Een dramatische constatering. Intens somber was ook de Amerikaanse minister van Defensie, Ash Carter, die vaststelde dat het Iraakse leger in Ramadi veel meer manschappen had dan IS, maar niet de bereidheid om te vechten. Alle militaire training van de Amerikanen ten spijt.

In Washington is de kwestie-Irak zo weer helemaal terug in het politieke debat, met bittere verwijten over en weer en natuurlijk de schuldvraag: Who lost Iraq? Is alle ellende te wijten aan de onbezonnen invasie onder George W. Bush in 2003, heeft Obama alles verpest door zijn handen ervan af te trekken, of ligt het allemaal een slag ingewikkelder? En gelooft er eigenlijk nog wel iemand in de huidige Amerikaanse strategie: alleen luchtsteun en training geven aan het Iraakse leger in de strijd tegen IS? Of houden de Amerikanen en hun bondgenoten daar alleen maar aan vast bij gebrek aan een geloofwaardig alternatief?

Als de geschiedenis van de Irak-oorlogen sinds 2003 wordt geschreven, moet daarin zeker plaats gemaakt worden voor de onwaarschijnlijke figuur van Emma Sky, die de laatste tijd regelmatig opduikt in Amerikaanse en Britse media. Deze voormalige vredesactivist bood zich bij de Eerste Golfoorlog in 1991 nog aan als menselijk schild tegen de aanvallen van de Amerikaanse coalitie op Saddam Hussein. In 2003 fulmineerde ze eerst fel tegen de Amerikaanse invasie, en vervolgens reisde ze naar Irak om excuses aan de bevolking te vragen voor wat er gebeurd was. Maar eenmaal daar werd ze politiek adviseur van de Amerikaanse bezettingsmacht en uiteindelijk zelfs van de hoogste Amerikaanse militair in Irak, generaal Raymond Odierno. Ze heeft er net een boek over gepubliceerd, The Unraveling (De Mislukking), waarin ze Obama verwijt dat hij Irak in de steek heeft gelaten. De Amerikaanse militairen hadden nog zo veel goeds kunnen doen in Irak, gelooft ook zij – voormalig pacifist, herboren als imperialist.