Wie Seinfeld snapt kan aan de poëzie

Ellen Deckwitz geeft een cursus voor lezers van nrc.next: Eerste Hulp bij het lezen van gedichten. Want heus, poëzie is mooi, niet moeilijk. Vandaag: onbegrijpelijke gedichten.

Illustratie Jenna Arts
Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Voor je verder leest: bekijk eerst even het gedicht hiernaast. De kans is groot dat je halverwege afhaakt, omdat je er geen snars van snapt. En dat moet ook, anders kan ik het niet hebben over Seinfeld. Wat, Seinfeld? Die televisieserie uit het Interbellum waar je meerdere afleveringen van moest zien voor je het eindelijk snapte? Precies. Mijn eerste Seinfeld ging over mensen die principieel een reep als een Twix (toen nog Raider) of Snickers met mes en vork aten. Terwijl ik wachtte tot het verhaal op gang kwam, begon de aftiteling. Onder druk van huisgenoten hield ik vol en na een aflevering of drie begreep ik eindelijk dat de serie niet plotgedreven was, maar dat het ging om zaken waar het leven – dacht je – helemaal niet om draaide, zoals wedstrijdjes-masturbatie-uitstellen of tegen je zin in de The English Patient kijken.

Vóór Seinfeld leken veel Amerikaanse comedies op elkaar. Vaste cast vol hysterische stereotypen, miniconflict, reactie daarop, alles komt goed, slotgrap, klaar. Bij Seinfeld lag de aandacht niet op dit conflict, maar op zaken die eerder niet in comedies aan bod kwamen (het werd ook wel ‘the show about nothing’ genoemd). De beloning was groot wanneer je doorkreeg dat dat juist het punt was, dat het nergens over ging. Dan werd je een van de insiders, en we weten allemaal dat insidersgrappen de beste grappen zijn.

Poëzie laat zich uitstekend vergelijken met comedies (en dat komt niet alleen door de flapdrollen die haar schrijven). Het doorsneegedicht kan je beschouwen als de doorsneecomedy, in die zin dat het een vaste, voorspelbare structuur heeft. Bij een doorsneegedicht verwacht de ongeoefende lezer een anekdote met een metrum, gelardeerd met wat natuurbeelden en een aardige mijmering over de sterfelijkheid met een beetje vaag einde (want hey, het is toch poëzie). Na afloop moet je als lezer ‘mooi’ of ‘diep’ zeggen en daarmee is de kous af en houdt de interpretatiebereidheid wel op.

Maar iedereen die de eerste drie afleveringen volhield om Seinfeld te snappen, weet dat moeite doen een geheel nieuwe beleveniswereld op kan leveren. Opeens kan je gniffelen om alledaagse lulligheden die je zonder Elaine of Kramer helemaal niet waren opgevallen.

Ter zake nu. Tonnus Oosterhoff (1954) heeft met zijn gedichten inmiddels zoveel prijzen gewonnen dat hij er levenslang van op vakantie naar Vlieland kan. Al grasduinend door zijn bundel Ware Grootte uit 2008 kom je fantastische zinnen tegen. ‘Als ik er niet was stond in mijn plaats een ander / misschien met een kleinere kei in zijn armen’. Of neem het vers, waarin een man omvalt, en zijn poes de tuin inloopt waar hij miauwt in een tak ‘ in de vorm van een telefoonhoorn’ en uit de hemel komt een ‘houten ambulance’ gevlogen’. Een ambulance of een doodskist? Wat maakt het uit, ik wil applaudisseren.

Toch slaat Oosterhoffs werk niet aan bij het grote publiek. Zonde, want het kost eigenlijk niet veel moeite om in het universum van Tonnus Oosterhoff een toegangspoortje te ontdekken. Je hoeft er alleen maar vanuit te gaan, dat zijn gedichten om een andere leeshouding vragen. Die verschilt per gedicht. Soms gaat het om een stapel uitspraken, als een commentaar op loze statements, een andere keer is het een monoloog en soms botsen de onderlinge regels zo op elkaar dat een logische leeshouding niet werkt. Dan moet je het gedicht gewoon ondergaan en ermee akkoord gaan dat, ook al zal je niet alles begrijpen, het wel een kleurrijke trip zal worden. Eigenlijk net als met Seinfeld: slechts door je erin onder te dompelen, begrijp je dat het werkt. Ook al kan je dat niet een-twee-drie uitleggen. Een grap uitleggen helpt de grap om zeep. En decennia goedbedoelde literatuurwetenschap ten spijt: hetzelfde geldt vaak ook voor de gedichten van Tonnus Oosterhoff.

Toch zijn er genoeg manieren om langzaam die wereld in te schuifelen. Laten we het gedicht hiernaast als startpunt nemen. Waarom is die oudste broer blij? En dat terwijl zijn jongste broer dood is! Je krijgt door die krakende stem het donkerbruine vermoeden dat hij zich overschreeuwt. Verderop staat weer iets prachtigs en tegelijkertijd onbegrijpelijks. Wie is de ‘ze’ aan het einde van de eerste strofe? En hoezo ‘rende ze al voor me uit’? Waarom? Toch is het mooi, net zoals de onbegrijpelijke regels: ‘De god van veren pakt zich om / het middel vast’. Je kan hier een engel voor je zien, die iemand een helling afsleurt. Of je kunt ‘middel’ opvatten als medicijn, en dan is de god van veren opeens een tablet oxazepam geworden.

De lezer wordt nog verder uitgedaagd. Neem de ongrammaticaliteiten in de tweede strofe: ‘gekraak nietwaar geen woorden kwam’. Dat er geen woorden meer zijn, geen manier om nog goed te kunnen praten over wat er is gebeurd. Je zou het gedicht als verhaal kunnen uitschrijven, maar dan ben je al snel drie pagina’s verder.

Bij poëzie kom je met de leeshouding ‘dit gedicht is een verhaal’ best een eind. Maar laat het los en plots snap je het werk van geweldige dichters als Tonnus Oosterhoff, Lucebert, Maarten van der Graaff, Bernard Wesseling en Anne Vegter een stuk beter. Opeens ben je een insider geworden, door het standaard begrijpen opzij te schuiven. Het enige wat je moet doen, is logica een beetje loslaten en bereid zijn niet alles te hoeven snappen en boem: je hebt een nieuwe wereld gevonden, terwijl de aftiteling nog lang niet is begonnen.