‘Meeste journalisten niet gedood uit religieus motief’

In het debat ‘Na Charlie’ stellen uit moslimlanden gevluchte cartoonisten dat ook Europa geen veilige haven meer is.

Zineb El Rhazoui van Charlie Hebdo
Zineb El Rhazoui van Charlie Hebdo

Van de tweehonderd journalisten die het afgelopen jaar zijn vermoord, zijn maar twintig slachtoffer geworden van religieus geweld. Dat zei John Ralston Saul, de Canadese president van de schrijversorganisatie PEN International gisteren in Amsterdam tijdens de conferentie over vrijheid van meningsuiting Creative Resistance.

De overige 180 journalisten zijn vermoord in opdracht van overheden of de georganiseerde misdaad. „Althans, vaak wordt gezegd dat het gaat om de georganiseerde misdaad, maar meestal is dat in opdracht van machthebbers. Moorden is makkelijker dan gevangen zetten van journalisten of schrijvers,” aldus Saul gisteren.

De PEN-voorzitter zei dit na het debat ‘Na Charlie’ in De Brakke Grond, waar vier vervolgde en naar Europa gevluchte cartoonisten spraken over hun leven en werk na de aanslagen op Charlie Hebdo. Het debat was onderdeel van de beveiligde conferentie van PEN waaraan tot en met 29 mei zo’n tweehonderd schrijvers, journalisten en cartoonisten uit de hele wereld deelnemen.

„Ik ben als cartoonist niet banger geworden na de aanslagen op Charlie Hebdo,” zei Fadi Hassan, een van oorsprong Palestijnse cartoonist die in Syrië is gemarteld om een spotprent: „Redacteuren zijn bang geworden na de aanslag op Charlie Hebdo. Het is moeilijker om werk te krijgen.”

Charlie Hebdo-columniste Zineb El Rhazoui verweerde zich tegen kritiek: „Charlie Hebdo was en is niet racistisch. Er is een grote campagne aan de gang om het blad ten onrechte als racistisch af te schilderen.”

De vier uit islamitische landen gevluchte cartoonisten hadden genuanceerde meningen over het blad. „Ik zou Mohammed niet zo tekenen als in Charlie Hebdo, maar daar gaat het niet om,” zei Abdul Arts, die Somalië moest ontvluchten na een cartoon over Osama Bin Laden. „Het gaat er om dat agressieve extremisten eerst vinden dat je de profeet niet tekenen mag, en daarna niet de leiders, en dan mag je geen cartoons maken over IS of Al Shabab. Ik vind het beangstigend dat zelfs in Europa extremisten je al komen opzoeken en vermoorden.”

Abdul Arts woont en werkt tegenwoordig in Noorwegen, net als de andere drie vervolgde cartoonisten in het debat. Zij hebben daar onderdak gevonden via het International Cities of Refuge Network ICORN en het Cartoonist Rights Network CRN.

Robert Russell van CRN zat het debat voor. Niet alleen in de landen waaruit de vier cartoonisten vluchten, vormen extremistische moslims een probleem voor de vrijheid van meningsuiting: Europa heeft een blinde vlek voor criminelen die zich in de gevangenissen tot het fundamentalisme bekeren, zei cartoonist Mana Meyastani, gevlucht uit Iran.