Boeken

Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Zorg

Sinds ik ALS heb, begin ik te lijken op Oom Dagobert

Illustratie Hajo

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: Donald Duck.

Een jaar geleden kwam mijn vrouw thuis met een cadeautje: een stuk Hermès-zeep, mijn favoriet sinds we lang geleden in Rome een groen monstertje in onze hotelkamer vonden. „Heel lief, dat had je niet hoeven doen”, zei ik; want ik ben zuinig van aard en ging ervan uit dat ik eerder op zou zijn dan de zeep. Quod non, althans voorlopig: de zeep is half weg, maar ik ben er nog en ik kan me zelfs nog eigenhandig wassen.

Middellangetermijnplanning is dezer dagen nóg belangrijker geworden. Ik moet nadenken over vragen die ten minste zo prangend zijn als die van J. Alfred Prufrock in de gelijknamige ‘Lovesong’ van T.S. Eliot (Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?). Moet ik bijvoorbeeld een nieuwe pyjama? Ik heb er twee en allebei zijn ze aan het eind van hun levenscyclus: er vallen gaten in de boord en aan de uiteindes van de mouwen, terwijl de broeken lubberen van ouderdom en verkruimeld elastiek. Maar ze slapen nog best, en dus heb ik het aanbod van mijn vrouw om een nieuwe te kopen („Ik neem wel medium, dan heb ik er ook nog wat aan”) afgeslagen. Erg lang plezier zou ik er niet van hebben.

Ik ben spaarzaam aangelegd, het zal mijn calvinistische inborst wel zijn. Maar sinds ik ALS heb, ontwaar ik in mezelf tekenen van een klassieke vrek. Niet die uit de toneelstukken van P.C. Hooft en Molière, in de weer met een pot goudstukken die koste wat kost onaangesproken moet blijven. En ook niet Scrooge uit Dickens’ Christmas Carol, een onaangename rijkaard die zijn naasten geen rooie rotcent gunt. Nee, ik begin te lijken op Oom Dagobert, Scrooge McDuck, uit de stripverhalen van Carl Barks: iemand die een obsessieve zuinigheid aan de dag legt, nooit iets weggooit of voor zichzelf koopt en zelfs afgebrande lucifers verzamelt omdat alles hem ooit van pas kan komen.

Uit een bruine archiefdoos boven op de boekenkast pak ik een van de jaargangen Donald Duck die ik uit de jaren zeventig bewaard heb – voor na mijn pensioen, heb ik altijd gezegd. Het is veertig jaar geleden, maar de avonturen staan me nog helder voor de geest, vooral de lange verhalen in twee delen met Dagobert, Donald en de neefjes in de hoofdrollen. In het jaar 1973 blijken zes van deze klassieke Carl Barks-scenario’s gepubliceerd te zijn, het een nog beter dan het ander; maar mijn favoriet zit er niet tussen: die waarin Dagobert met zijn grote rivaal Govert Goudglans wedijvert om de titel Rijkste Eend ter Wereld. Een strijd die uiteindelijk beslist wordt door het afrollen van de bollen aan elkaar geknoopte draadjes en touwtjes die de twee rijkaards in hun lange leven van straat hebben opgeraapt.

Schele hoofdpijn

Elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar. Het credo van Oom Dagobert is ook het mijne, maar als terminale patiënt met een onbekende levensverwachting wordt het me erg moeilijk gemaakt. Ik had me voorgenomen om geen nieuwe kleren meer te kopen en zelfs de door mijn kinderen gesmade wijde overhemden af te dragen; toen viel ik 25 kilo af en had ik nog maar één broek die paste, dus kocht ik noodgedwongen een zwarte jeans in een kleinere maat. Ik wilde toekomen met de bril en de contactlenzen die ik aan het begin van dit decennium had gekocht; toen veranderde de scherpte van mijn ogen en moest ik honderden euro’s investeren om geen schele hoofdpijn te krijgen. Ik had verwacht geen agenda voor 2015 meer nodig te hebben; toen kwam Oud en Nieuw en heb ik toch maar weer mijn vertrouwde Pléiade-zakagenda aangeschaft.

Het is mijn vrouw die me meestal overhaalt om over mijn vrekkigheid heen te stappen. Ze is niet per se optimistischer dan ik, maar de vraag hoe lang iets van nut is, laat haar siberisch. Zij was ook de motor achter de aanschaf van een aangepaste stoel voor aan de eet- en krantenleestafel. Er kwam speciaal iemand voor uit Friesland, die zittingen met een luchtpompje en rugleuningen van verschillende soorten traagschuim demonstreerde. Het resultaat, inclusief hoofdsteun, was een dure grap (niet gedekt door de verzekering), maar deed wonderen voor mijn uithoudingsvermogen. Mijn vrouw werd er overmoedig van. Omdat ik nauwelijks meer kan staan bij het scheren, kocht ze bij een postorderbedrijf een kek uitziende kappersstoel voor in de badkamer. Toen het ding eenmaal in elkaar was gezet, bleek het een forse sta-in-de-weg en te stinken naar motteballen. We wisten niet hoe gauw we het naar de schuur moesten verbannen.

Het probleem bij het scheren was daarmee niet opgelost. Om mezelf te ontlasten besloot ik over te stappen op een elektrisch scheerapparaat. Mijn vrouw, geboren in Eindhoven, stond al in de startblokken om naar de winkel te gaan voor een Philishave. Maar ik herinnerde me dat ergens nog een Braun moest rondslingeren die ik – waste not, want not – had gered uit de boedel van mijn in 1992 overleden opa. Het was een moment van triomf toen het veertig jaar oude ding het nog bleek te doen. Met een beetje geluk zal het me overleven en maak ik postuum kans op de Dagobert Duck-medaille voor verantwoord consumeren.

Blogger

Pieter Steinz

Pieter Steinz (6 oktober 1963 - 29 augustus 2016) werkte van 1989 tot 2012 bij NRC Handelsblad, onder meer als literair redacteur en chef Boeken. Hij schreef ruim vijftien boeken, waaronder Lezen etcetera (2003) en Made in Europe (2014).