Net in díe doos zat iets van onschatbare waarde

Maandenlang struinde historicus Jaap Cohen databases af en ploeterde hij archieven door op zoek naar zijn promotieonderwerp: de familiegeschiedenis van Eli d’Oliveira. Maar alles was geroofd, totdat er een sollicitatiebrief bleek te zijn. Hij kon wel juichen van vreugde.

Afbeeldingen uit Arie de Froes onderzoek naar de fysieke kenmerken van Portugese Joden in Nederland (1943). Afgebeeld zijn de artsen A. da Silva en E. Vas Nunes. In de Duitse bijschriften werden de zogenaamde ‘mediterrane kenmerken’ als langes schmales Gesicht mit scharfen intelligenten Zügen enhohe und schmale Nase (37 en 38) benadrukt, om te bewijzen dat de geportretteerden qua afkomst geen Joden waren. Foto’s gemaakt door Eli d’Oliveira’s zoon Jaap d’Oliveira en in bezit van het NIOD

Sinds het succes van auteurs als Geert Mak, Suzanna Jansen en Judith Koelemeijer zijn familiegeschiedenissen een geliefd genre. Ze zijn bij uitstek geschikt om over een lange periode de ‘grote’ geschiedenis te verbinden met het individuele verhaal, en lezers vinden het vaak gemakkelijker om zich te identificeren met ‘gewone’ mensen dan met koningskinderen, politici of beroemde schrijvers (die traditioneel het onderwerp zijn van een biografie).

Zo’n zeven jaar geleden vroegen leden van een familie mij of ik belangstelling had in het schrijven van een boek over hun geschiedenis. De centrale figuur van het boek zou hun gemeenschappelijke grootvader moeten zijn: Eli d’Oliveira (1886-1944), een Portugees-Joodse stenograaf, journalist en psycholoog die in Auschwitz was vermoord.

Ik twijfelde. De figuur van Eli d’Oliveira leek me interessant, en het genre trok me aan. Aan de andere kant: ik realiseerde me dat het een tricky opdracht kon zijn. In elke familiegeschiedenis komen namelijk niet alleen geslaagde personen voor, maar ook zwarte schapen. Hoewel juist zíj vaak interessant zijn om te onderzoeken, willen familieleden over het algemeen de vlekjes uit hun geschiedenis liever wegpoetsen dan benadrukken. Daar kwam nog bij dat ik eigenlijk niet goed wist hoe je zo’n onderzoek moest aanpakken. Waar moet je beginnen? En was deze familie wel interessant genoeg om een heel boek over te schrijven?

Vernuftige theorie

Mijn aanvankelijke scepsis verdween toen ik hoorde hoe de groep Portugese (of: Sefardische) Joden, waartoe Eli en zijn familie behoorden, in de Tweede Wereldoorlog aan deportatie had proberen te ontkomen. Ze hadden een vernuftige theorie ontwikkeld. Die ging als volgt: eeuwen terug, op het Iberisch Schiereiland, waren de voorouders van de Portugese Joden door de katholieke koningen gedwongen om zich te bekeren tot het christendom. Vervolgens hadden deze conversos (bekeerlingen) zich met de mediterrane, oudchristelijke bevolking van Spanje en Portugal vermengd. Maar omdat de Inquisitie hen toch ervan verdacht dat ze binnenskamers het Jodendom aanhingen – en vaak was dat inderdaad zo – waren ze vanaf het einde van de zestiende eeuw naar de in religieus opzicht tolerante, opkomende handelsstad Amsterdam gevlucht. Daar hadden ze zich weer terugbekeerd tot het Jodendom. Maar omdat zij op het Iberisch Schiereiland enkele generaties onder de christenen hadden geleefd, zouden deze voorouders op het moment dat ze in de Republiek aankwamen nog maar een heel laag percentage ‘Joods bloed’ hebben gehad. Conclusie: de Portugese Joden in Nederland waren geen ‘voljoden’ – de op de rassenleer gebaseerde anti-Joodse maatregelen van de Duitsers zouden hen dus niet moeten treffen.

Het was een intrigerend verhaal. En het werd nog boeiender toen ik hoorde hoe de Portugese Joden hun theorie hadden geprobeerd te bewijzen. De fysisch antropoloog Arie de Froe had midden in de oorlog een groot wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd naar de fysieke kenmerken van Portugese Joden. Bij liefst 375 Portugese Joden had hij 32 verschillende lichaamseigenschappen opgemeten, zoals de schedelgrootte, de dikte van de bovenlip, en de neushoogte, -lengte en -breedte. Hij vergeleek deze data met in de literatuur bekende gegevens over lichaamseigenschappen van Asjkenazische Joden – die oorspronkelijk afkomstig waren uit Duitsland en Oost-Europa – en niet-Joden, en hij kwam tot de conclusie dat ‘de zogenaamde Portugese Joden niet als Joden kunnen worden beschouwd’. De Froe probeerde de vijand met hun eigen wapens te verslaan.

Ik besloot de opdracht aan te nemen en ging aan de slag met het lezen van het materiaal dat uit het familiearchief was overgeleverd. Helaas was ik daar snel mee klaar: in de oorlog waren niet alleen Eli d’Oliveira en zijn tweede echtgenote Louise vermoord, ook hun meeste bezittingen – inclusief correspondentie, (dagboek)aantekeningen en foto’s – waren geroofd. Als ik brieven van Eli wilde lezen, moest ik zoeken in persoonlijke archieven van de ontvangers.

Maandenlang struinde ik databases af en ploeterde ik archieven door, zonder enig noemenswaardig resultaat. Met name de eerste helft van Eli’s leven bleef één grote mist. Ik begon behoorlijk moedeloos te worden, want ik werd betaald om een boek te schrijven over een onderwerp waarover ik eigenlijk niet genoeg materiaal had. Kortom, ik had me weleens beter gevoeld.

Gelukkig kwam ik uit de impasse. In een obscuur boekje over de voormalige socialistische krant Het Volk stond in een voetnoot dat deze krant ook wel eens sollicitaties van buitenlanders binnenkreeg; bij een grote sollicitatieronde in 1906 had onder anderen de Belg ‘E. d’Oliveira’ gesolliciteerd. Omdat Eli inderdaad een periode in België had gewoond, besloot ik maar te proberen of ik de sollicitatiebrief kon achterhalen.

Zonder enige verwachting reisde ik af naar het archief van Het Volk, en de moed zonk me in de schoenen toen ik de doos met sollicitatiebrieven zag: stuk voor stuk kleine vodjes vol inktvlekken, vaak gedeeltelijk afgescheurd en moeilijk leesbaar. Weer een dag verspeeld, verzuchtte ik. Maar tussen die vodjes lag ineens een pakketje: een drie pagina’s tellende, in een keurig handschrift geschreven brief, inclusief pasfoto, naamstempel, referenties van negen bekende en minder bekende sociaal-democraten in België en Nederland, en met zes bijgevoegde artikelen. Afzender: E. d’Oliveira, 22 jaar.

Het kostte me moeite om een juichkreet in het archief te onderdrukken. De brief met bijlagen gaf me veel aanknopingspunten voor verder onderzoek: nu wist ik wat Eli in zijn jonge jaren had geschreven, waar hij woonde en in welke kringen hij zich bewoog. En het feit dat Eli zich twee jaar ouder voordeed dan hij eigenlijk was – wilde hij serieuzer overkomen? – gaf mij een aanwijzing voor zijn karakter, dat niet gespeend moest zijn van geldingsdrang.

Maar de keuzes van Eli en zijn gezin in de oorlogsperiode, die bleven nog onduidelijk. Waarom zijn ze niet ondergedoken? En wat vond Eli van de ‘Aktie Portugesia’, de reddingsoperatie waarbij Portugese Joden beweerden dat ze niet tot het semitische ‘ras’ behoorden? Over deze Aktie was ik steeds meer te weten gekomen: die was veel grootschaliger dan altijd was gedacht. Behalve het fysisch-antropologisch onderzoek van De Froe produceerden de Portugezen een indrukwekkend prentenboek van deftige Portugezen uit de geschiedenis om hun hoge culturele ontwikkeling aan te tonen, en ze lieten een groot psychologisch onderzoek uitvoeren om aan te tonen dat hun karakter en gedrag anders waren dan van Asjkenazische Joden. Interessant en relevant materiaal, maar over Eli vond ik weinig.

Nog een onverwacht moment

Weer bracht één moment een ommekeer teweeg. In Den Haag bracht ik een bezoek aan het archief van Hans Calmeyer, de Duitse ambtenaar die in de oorlog moest oordelen over de status van ‘twijfelgevallen op afstammingsgebied’. Plichtmatig nam ik een aantal dozen door waarin bruikbaar materiaal zou kunnen zitten – zonder succes. Ik besloot ervandoor te gaan. Bij het weggaan maakte ik nog even een praatje met de archiefmedewerker. Ik vertelde hem dat ik ’s middags het archief van mr. Nijgh zou bezoeken, de Haagse advocaat die veel Portugees-Joodse cliënten bijstond.

„Ah, die advocaat ken ik wel”, zei de archiefmedewerker. „Ik herinner me dat hij ons in de jaren tachtig eens een doosje met materiaal heeft gebracht. Het is nooit geïnventariseerd. Wil je het inzien?” Ik wilde eigenlijk gaan lunchen, maar vooruit, wie weet.

En ja hoor, net in díe doos zat een dikke map vol met correspondentie tussen Eli en zijn advocaat, en met talloze stambomen die hij in oorlogstijd had gemaakt om zijn Iberisch-christelijke afstamming te ‘bewijzen’. Eli d’Oliveira had veel meer met de Aktie Portugesia te maken dan ik ooit had durven vermoeden. Bovendien had hij zélf onderzoek naar zijn familiegeschiedenis gedaan, wat mij aanleiding gaf om óók terug in de tijd te gaan en te kijken in hoeverre Eli het bij het rechte eind had. Ik kon aan de slag.

En nu, na zes jaar speurwerk in het verleden, ligt het boek er – vanmiddag mag ik er op promoveren. De familiegeschiedenis van Eli d’Oliveira is niet meer in mist gehuld, maar zit vol met kleurrijke figuren van vlees en bloed. Een ding is me wel duidelijk geworden: ‘gewone’ mensen uit het verleden blijken vaak veel minder gewoon als je ze écht gaat bestuderen. Wat dat betreft is het net het echte leven. En waarschijnlijk is dat ook de reden waarom het genre zo aantrekkelijk is.