Je hebt wél macht over je eigen lijf

Je bent zenuwachtig en hebt je lichaam niet onder controle. Heel vervelend op de werkvloer. Neem gewoon een dominante rol aan: fake it till you make it.

Illustratie Hajo

Bizar slecht Engels en een chaotisch verhaal. Er is er maar één man die daarmee wegkomt: voetbaltrainer Louis van Gaal. Vorige week haalde hij weer het nieuws met zijn speech op een avond van Manchester United. Die zat vol met pareltjes als: „Hello hello, listen to the manager!” En: „But me, as a manager, I know, that ‘if’ is not counting.”

Nu kun je van alles over de speeches van Van Gaal zeggen, zenuwachtig lijkt hij niet te zijn. Toch? „Hij maakt nauwelijks oogcontact, wat waarschijnlijk betekent dat hij nerveus is”, zegt Simon Groen. Hij is al twaalf jaar lichaamstaaltrainer en geeft workshops met zijn bedrijf Speak to Inspire. Groen coacht onder meer de Tedxsprekers en ziet dus voortdurend mensen met presentatieangst. Zweethanden, gestotter en knieën die op slot springen. „Dat is een natuurlijke reactie”, zegt Groen. „De nervositeit komt door de angst om afgewezen te worden. Een oerangst waar iedereen last van heeft.” Toen we opgroeiden, leerden we dat ‘erbij horen’ belangrijk was. „Dus denken we vaak: vinden de anderen mij goed genoeg?”

En zodra we daarover nadenken, focussen we op hoe ons lichaam eruit zal zien. „En voelen we ons daar niet bij op ons gemak, dan schamen we ons. Dan kom je in een cyclus van zelfafwijzing. Je wordt rood, baalt daarvan en wordt nog roder.”

Een constant statusspel

Lichaamstaal heeft dus alles met de perceptie van het lichaam te maken. „Als lichaamstaaldocent ben ik mensen vaak op hun gemak aan het stellen. Onder spanning vindt iederéén z’n eigen lichaam onhandig, en weet niemand wat-ie met z’n handen moet.”

Toch is het belangrijk te beseffen dat je juist wel macht over je eigen lichaam hebt. Je kunt je lichaamstaal trainen en daarmee beïnvloeden hoe mensen naar je kijken.

Als je met kromme schouders loopt, zien mensen je als onzeker. Maar trek je je schouders naar achteren, zien mensen je gelijk al een stuk zelfverzekerder. En dat is maar een klein voorbeeld. Groen: „Het belangrijkste is begrijpen dat je bij elke interactie een bepaalde hoeveelheid ruimte inneemt.” Met ‘ruimte’ bedoelt hij: de manier waarop je loopt, praat, beweegt en kijkt.

Zo zijn er bij een doorsnee gesprek tussen twee mensen altijd twee rollen die worden aangenomen: een dominante en een onderdanige rol. Die rollen wisselen elkaar voortdurend af, elke minuut wissel je bijvoorbeeld wel van houding. „Een dominante rol herken je aan grote gebaren, wijd zitten, aandacht opeisen door luid te praten. Iemand met een onderdanige rol zit meer ineengedoken, is stil aan het luisteren of blijft aan de zijkant van de ruimte staan.” Een manager zit bijvoorbeeld vaker in de dominante rol, een stagiair in de onderdanige.

Die rollen van dominant of onderdanig spelen altijd, in elke situatie. Bijvoorbeeld een ontmoeting van collega’s bij het koffieapparaat: „De ene duwt nonchalant en zelfverzekerd de rest een beetje opzij om een bekertje te pakken en kiest uitgebreid de smaak koffie, de ander zet schuchter een kopje eronder en maakt zich zo klein mogelijk. In elke situatie zijn mensen onderhevig aan dat statusspel.”

In de ideale situatie gaat dat volkomen natuurlijk en onbewust, en wissel je continu van rol. Dat voelt natuurlijk en prettig voor mensen. Denk bijvoorbeeld aan je partner, met wie je op een grappige manier die rollen afwisselt. De ene keer zeg je: ‘Kom eens helpen met de afwas, luiaard’. De andere keer geef je hem een kopje koffie en zeg je: ‘alstublieft meneer’. Met collega’s waarbij je je op je gemak voelt, gaat dat precies hetzelfde: de ene keer geef je op grappende wijze commentaar, ‘Dossier nog steeds niet afgerond?’, de andere keer vraag je ze nederig of ze je werk even willen nalopen op fouten. Je wisselt dus continu af van onderdanig naar dominant en weer terug.

In een rol blijven hangen

Maar in een nerveuze situatie verdwijnt die natuurlijke afwisseling van rollen. Je blijft star in één rol hangen. Zodra je nerveus bent, ben je geneigd de onderdanige rol in te nemen. Omdat de ander vaak een bepaalde machtspositie heeft (anders zou je niet zenuwachtig worden), maak je jezelf kleiner. „En eenmaal in die situatie, kom je er heel moeilijk uit. Dan voelt die ander zich steeds machtiger en jij steeds kleiner”, vertelt Groen. Bij een sollicitatiegesprek bijvoorbeeld: als je netjes op de stoel zit, schuif je dicht aan bij de tafel en vouw je je handen op je schoot. „Dat is eigelijk een positie om te worden verhoord. Je hebt de macht uit handen gegeven.”

Toch zijn er trucs om weer terug te gaan naar de ‘normale’ toestand, waarbij je allebei van rol wisselt. Groen: „Dat is een kwestie van ‘Fake it till you make it’. Eerst herken je dat je vastzit in een rol, daarna ga je je lichaamstaal actief aanpassen.”

Begin met spiegelen van de andere persoon. „Doe de ander de eerste vijf minuten precies na. Zit die achterover in z’n stoel, weggeschoven van het bureau, doe dat ook. Heeft de ander de armen over elkaar geslagen, doe jij dat ook. Dat blijf je volhouden tot je je meer op je gemak voelt.”

Daarna ga je er bewust mee spelen en wissel je die rollen af. „Dat betekent dat je behalve spiegelen ook contrasten kunt zoeken.” Zit de een naar voren, leun jij naar achteren. Gaat de een harder praten, ga jij zachter. „Dan gaat het gesprek meer ‘natuurlijk’ voelen, want het lijkt het op de ideale situatie waarbij je rollen voortdurend afwisselt.”

Dit voelt in begin misschien raar. „Mensen zijn niet gewend om lichaamstaal te oefenen, hebben het idee dat ze ‘zichzelf willen zijn’. Maar de techniek dient juist om meer jezelf te zijn. Het begrijpen van die rollen zorgt ervoor dat je jezelf bewust uit een onderdanige rol kan tillen.”

Denk je dat je nooit in de onderdanige rol zit? Een tip is om jezelf te filmen en dan zonder geluid terug te kijken. „Dan zie je zo al honderd dingen die je zou kunnen veranderen aan je lichaamstaal.”