Deze therapieën gingen wel héél ver

Afgelopen weekend kwamen via de NOS verhalen naar buiten van seksueel misbruik binnen boeddhistische organisaties in Nederland.

Beeld van een boeddhistische meditatiesessie.
Beeld van een boeddhistische meditatiesessie. Foto Merlin Daleman

Hij wist er twintig jaar van. Een groot deel van die tijd twijfelde hij wat hij moest doen, of was hij met andere dingen bezig.

Johan Tinge, een meditatieleraar die is opgeleid door de in 2007 gestorven boeddhistische monnik Mettavihari, wist al die tijd dat zijn leraar volgelingen seksueel misbruikte. Maar pas vorig jaar kwam hij echt in actie.

Dit weekeinde bracht de NOS naar buiten dat er de afgelopen decennia misbruik heeft plaatsgevonden binnen boeddhistische organisaties in Nederland. De omroep sprak met drie mensen die zeggen slachtoffer van Mettavihari te zijn en onderzocht nog twee andere zaken: een organisatie in Middelburg, waar de leider Gerhard Mattioli in de periode 2001-2008 vrouwelijke volgelingen heeft misbruikt, en de eerder gepubliceerde zaak in het Friese Makkinga, waar leider Pierre Krul vrouwelijke slachtoffers maakte.

Van recentere datum zijn de vijf gevallen die bekend zijn bij de boeddhistische leraar in opleiding Frank Uyttebroeck. Hij zegt dat vijf slachtoffers zich bij hem gemeld hebben met klachten over vijf verschillende leraren. Uyttebroeck heeft geen specifieke kennis op dit terrein, maar vermoedt dat ze naar hem komen omdat hij uitgesproken is over dit onderwerp.

Dat is Johan Tinge nu ook. Begin deze maand publiceerde hij met vijf andere leraren een verklaring in de webkrant Boeddhistisch Dagblad, waarin zij Mettavihari beschuldigen van „overschrijdend seksueel gedrag met leerlingen”. Tinge: „Het was een stressvolle stap, maar ik ben opgelucht dat ik het gedaan heb.”

Slachtoffers

Tinge hoorde eind jaren tachtig voor het eerst geruchten over zijn leermeester. Rond 1995 sprak hij hem erop aan. „Mettavihari bekende en zei dat hij ermee gestopt was”, zegt Tinge. „Ik had de indruk dat het om eenmalige dingen ging, die al een tijd geleden waren gebeurd. Hij zei dat hij gestopt was en ik had niet de indruk dat er grote trauma’s bij de slachtoffers waren. Er was ook niemand bij wie je terechtkon. Ik heb het een tijd geparkeerd.”

Na Mettavihari’s dood bracht hij het onderwerp ter sprake in de raad van veertien leraren die de leider had benoemd. Pas vorig jaar kwam het tot een onderzoek. Tinge zegt zeventien namen te hebben verzameld van slachtoffers die zich gemeld hebben of door anderen zijn genoemd. Sinds het weekend zijn daar enkele nieuwe personen bijgekomen.

Het voornemen om Mettavihari’s naam te publiceren leidde tot een breuk in de lerarenraad. De zes die voor openheid waren, zijn opgestapt. De overgebleven leden verklaren in het Boeddhistisch Dagblad de berichtgeving onzorgvuldig te vinden.

„Het stuit me tegen de borst dat iedereen zomaar op zijn deur kan zetten dat hij boeddhistisch leraar is”, zegt een oud-leerling van Mettavihari. De man, die wegens de gevoeligheid van het onderwerp anoniem wil blijven, zegt midden jaren tachtig in Groningen vier keer door de monnik te zijn misbruikt. „Je gaat met een leraar een relatie aan waarin belangrijke mentale processen plaatsvinden, zonder dat iemand daar toezicht op houdt.”

De Boeddhistische Unie Nederland (BUN) heeft dit weekend verklaard dat zij de leden aanmoedigt vertrouwenspersonen en gedragscodes in te stellen. Voor voorzitter Michael Ritman waren de beschuldigingen over Mettavihari „volkomen nieuw”. De BUN zal hier met de leden verder over praten, zegt hij, „maar we gaan niemand op de vingers tikken. Daar is de BUN niet voor. We bekijken of we iets kunnen leren of iemand ondersteunen.”