Even een aardbei maken

Wat hebben Albert Heijns moestuintjes losgemaakt? Iedere tuinder weet: moestuinieren is vooral een cursus omgaan met teleurstellingen.

tekst Martine Kamsma

Tussen half februari en half maart deelde Albert Heijn 44 miljoen moestuintjes uit. 44 miljoen bakjes met zaadjes. Stel je eens voor hoe Nederland eruit zou zien als al die minituintjes een succes waren geworden. Overal zou je vensterbanken zien overwoekerd met paprika- en aubergineplanten, tuinen vol kropsla, radijs en rucola. Op opritten zouden aardbeien worden aangeboden. En wortels: gratis mee te nemen! Groenteafdelingen in supermarkten zouden fors krimpen, groenteboeren met sluiting worden bedreigd. En noodklokken: „Moestuintjes bedreigen het Westland!”

Maar zo’n vaart loopt het vooralsnog niet. De eerste weken ontplofte Instragram nog van de veelbelovende kiempjes. Van broccoli bijvoorbeeld, die ging echt hard. Maar zoals dat gaat met natuurlijke selectie: het aantal plantjes dat de moeilijke fase van overpotten doorkwam, was al veel kleiner. Wel veel gehoord: mensen die zich afvroegen waar hun radijs bleef. Radijs was toch zo makkelijk? Eh ja...mits tijdig in de kou gezet. Anders krijg je geen rode knolletjes en smaakt alleen het onderste stukje stengel naar radijs. Ook lekker, maar niet wat je je ervan had voorgesteld.

Met hoeveel van die 44 miljoen moestuintjes is het eigenlijk goed afgelopen? Niemand deelt zijn verlies graag op internet, het grootste deel heeft inmiddels een roemloze aftocht gemaakt naar de vuilnisbak. Arme dille. Arme selderij.

De ervaren moestuinier zag het al aankomen. Want die was ooit ook een beginnende moestuinier en weet nog dat het niet over rozen ging. Liedewij Loorbach herinnert zich van haar eerste seizoen in de moestuin vooral de slakken. Ontelbaar veel slakken die aan ieder begin van leven meteen vakkundig een einde maakten. Slakken in de sla, slakken op het pompoenblad, slakken overal. „En toen ik dacht dat ik ze echt allemaal had weggehaald, zag ik iets waarvan ik nog één seconde dacht: hé, witte kaviaar!” Maar kaviaar groeit niet in de moestuin. „Slakkeneitjes! Soms is moestuinieren net een game waarin je telkens naar de next level moet. De voldoening zit ’m in elke nieuwe overwinning.”

Ze weet ook nog precies hoe haar eerste succes smaakte. „Tomaten van het balkon. Ze waren warm van de zon, de schil was vrij hard, maar een smaak! Jongen! Niet normaal!”

Balkonieren

Liedewij maakte, toen ze er aardigheid in begon te krijgen, een boekje voor beginners, Balkonieren. „En dan echt voor beginners-beginners. Hoe maak ik een aardbei, zeg maar.”

Want als iets frustrerend is voor beginners, is het dat niets makkelijk of vanzelfsprekend is. „Albert Heijn doet alsof het simpel is. Alsof we straks allemaal moussaka uit eigen tuin eten. Maar aubergine! Hallo! Dat is hartstikke moeilijk!”

Je kunt Albert Heijn onmogelijk alleen de schuld geven van de hooggespannen moestuinverwachtingen. Bij tuincentra zijn tegenwoordig vele vierkante meters ingericht met moestuinbenodigdheden. Intratuin bijvoorbeeld heeft sinds twee jaar een ‘Kweken en Oogsten-totaalconcept’, met alles van zaadjes en kweeksetjes tot compostvaten. Ze zien veel nieuwe klanten, en helemaal sinds de AH-moestuintjes. Vroeger waren het vooral hardcore tuinders, tegenwoordig gaat een kwart van de moestuinklanten met een impulsaankoop de deur uit, steeds vaker met biologische zaden en plantjes. Leontine van der Kaaden: „In 2013 verkochten we vijftien soorten biologische zaden. Nu zijn dat er zeventig.” Er werden dit jaar tweeënhalf keer zoveel ‘pootartikelen’ (kasjes, kweekbakken, etc.) verkocht als twee jaar geleden.

Op tv kookten moestuiniers uit eigen tuin in Van Hollandse Bodem. Veel langer al profileren restaurants zich met groenten van eigen teelt. Al zijn er maar weinig die het consequent kunnen volhouden. Restaurant De Kas in Amsterdam doet dat wel, al vijftien jaar. Maar zelfs met een eigen boomgaard, een kruidentuin, 1.300 vierkante meter kas, bijna een halve hectare grond in de Beemster en zes toegewijde tuinders, moeten ze in het hoogseizoen nog een kwart bij kopen om de borden te vullen.

Bij het pas geopende restaurant Citroën, in de oude Citroëngarage op het Stadionplein in Amsterdam, staat aan de zonnige kant van de garage een moestuinopstelling in grote houten bakken. Die laat zien dat moestuinieren een leuk imagodingetje is en legt tegelijkertijd de naakte waarheid bloot: je kunt hier nooit een heel restaurant van te eten geven. Zelfs nog geen gezin. Om van eigen tuin te kunnen eten, is voor vier personen zo’n 200 vierkante meter nodig. Dat heeft bijna niemand.

En wie het wel heeft, of de helft ervan of zelfs maar een kwart, kijkt heel anders naar die vermeende moestuinromantiek. Die ziet prille gewassen door onkruid overwoekerd worden, aardappelen verzuipen na een week regen, of ineens de raapstelen bloeien – niet de bedoeling.

Onkruidvrij

In een grote gemeenschappelijke moestuin in Bos en Lommer in Amsterdam (het project heet: I can change the world with my two hands) zit op zaterdagochtend Milena op haar perceeltje geduldig onkruid uit te trekken. Vier uur is ze bezig geweest om ongeveer zeven vierkante meter aarde onkruidvrij te krijgen. De prille scheuten van kool en doperwten zijn opgegeten door de duiven. Ze lijkt er niet zeer door aangedaan. „Als je niet gefocust bent op het resultaat is moestuinieren heel leuk.” En al doende leert ze. Dat je bijvoorbeeld jampotjes over kleine plantjes kunt zetten om de slakken weg te houden. En dat je beter in keurige rijtjes kunt zaaien, zodat je goed weet wat waar staat en je er makkelijker tussendoor kunt schoffelen.

Iets verderop zit Marcel Roelofs op zijn knieën in een keurig onkruidvrij bed. Hij is een van de vrijwilligers die de achttien gezamenlijke bedden onderhouden. Zo’n gedeelde tuin heeft voordelen. Dat je niet altijd móet, en dat je van elkaar leert. Marcel vond het minituintje op zijn balkon niet genoeg, al gebeurt daar op dit moment wel iets prachtigs. „In oktober heb ik knoflook geplant, nu zie ik ’m groeien. Af en toe graaf ik ’m voorzichtig een beetje uit om te kijken hoe hij zich vermeerdert. Fascinerend.” Nu plukt hij op zijn knieën volgroeide spinazie, een emmer vol al, en verwondert zich over de geweldige smaak.

Netjes werken. Dat begint al bij de Albert Heijn moestuintjes. Waarom hebben we niet meteen die steekkaartjes ingevuld en in de aarde geprikt? Was dit nou rucola of selderij? Nu weet je dus niet meer hoeveel water of zon ze nodig hebben. (Zie voor de afloop de vuilnisbak op de foto boven.)

Liedewij Loorbach heeft geleerd dat boekhouden niet haar sterkste kant is, en dat slordig werken onmiddellijk wordt afgestraft in de moestuin. „Dan komt er iets op en krab je je op je hoofd: wat wordt dit in godsnaam? Is dit onkruid? Wordt dit iets om te eten? Of erger: waar had ik die wortelen ook al weer gezaaid? Voor je het weet zaai je er iets anders overheen.”

Waar ze het meest van leert zijn de dingen die mislukken. Niet alleen om het de volgende keer beter te doen. „De charme is juist: je weet vaak niet waarom dingen mislukken. Ligt het aan het weer? Is de aarde te arm? Je leert precisiekijken, nauwkeurig observeren.”

Een moestuin is net de Polikliniek Onverklaarbare Klachten. De moestuinier moet accepteren dat de klachten soms onverklaarbaar blijven, alle verzamelde kennis op internet ten spijt. „Dat mysterie van waarom iets wel of niet tot bloei komt, dat iets ook mág mislukken, dat is misschien wel het mooiste van alles. De schoonheid zit in het besef dat je het nooit helemaal zult begrijpen.”