Eén stuk op de voorpagina geeft keuzes keihard effect

Moet op de voorpagina altijd ‘het belangrijkste nieuws van de dag’ staan? De vraag stellen lijkt hem beantwoorden: natuurlijk!

Maar zo simpel is het niet. Wat een krant ‘het belangrijkste’ vindt, hangt van allerlei dingen af: actualiteit, primeurwaarde, maatschappelijk belang, of gewoon de originaliteit of kwaliteit van een onderwerp of stuk. Een briljante reportage of analyse kan het winnen van het laatste nieuws; een eigen primeur nog vaker. En, zoals bij alle mensenwerk: soms is een keus ook iets van een noodgreep, als zich weinig opmerkelijks aandient.

Dat wordt duidelijker, nu de krant al een paar jaar op tabloidformaat verschijnt. Op de kleinere voorpagina past immers maar één artikel, hooguit twee. Hard nieuws vind je nu dus vaak ook op pagina 2 en 3, ook wel ‘de verlengde voorpagina’ genoemd. Bij The New York Times is het accent in het dagelijkse redactieberaad sinds kort overigens ook verschoven van de vraag ‘wat doen we op de voorpagina’ naar ‘welke verhalen willen we vandaag brengen’. In die zin is de ‘vp’ minder dominant geworden.

Toch blijft scherp kiezen voor de voorpagina essentieel, want pagina 1 is natuurlijk nog steeds het eerste wat een lezer ziet – en die komt extra hard aan als er maar één stuk op staat. Tabloid heeft een dwingend, autoritair karakter: op een grote voorpagina met meer nieuws kan de lezer zijn eigen hiërarchie aanbrengen. Tabloid, met maar één stuk, biedt die keus niet: bam, dit is het.

Dat is geen punt bij groot nieuws of primeurs, zoals die over de NZa. De krant heeft daar ook al een lange reeks van gehad. Maar bij aparte, afwijkende of ‘originele’ keuzes wordt het al lastiger: die maken de voorpagina verrassend, maar de lezer zal zich ook al snel afvragen wat de krant ermee ‘bedoelt’ – zie het tumult over de keus om een recensie van het toneelstuk Anne voorop te plaatsen.

Hier twee voorbeelden van recente voorpagina’s waar lezers zich over opwonden, of waar ze zich van afvroegen wat de krant er nu mee wilde zeggen.

Op 4 mei opende NRC Handelsblad met een rapport over misdragingen van het Israëlische leger tijdens de Gaza-oorlog (‘Leger Israël spaarde burgers niet’). Lezers reageerden ontzet: waarom dit nieuws op Dodenherdenking? Een affront voor Nederlandse Joden? De krant kan over zoiets berichten, twitterde een lezer, maar waarom juist die dag voorop? Dat lijkt een gebaar, zo van „BAM!” Ja, dat is het tabloideffect.

De hoofdredacteur antwoordde in De Lezer Schrijft hiernaast: van opzet of bijbedoelingen met Dodenherdenking was geen sprake, het ging om een nieuwswaardig rapport dat – toevallig – die dag werd gepubliceerd. Ook internationaal deed het rapport stof opwaaien.

Klopt – ook Le Monde, The Washington Post, The Guardian en de Frankfurter Allgemeine brachten het, door hun zaktijden, een dag later dan NRC.

Er speelde wel iets anders mee. De krant had dit rapport zien aankomen en de correspondent had het onder embargo kunnen inzien, zodat het meteen op de dag van publicatie in de krant kon – als eerste. Dit nieuws stond dus ‘gepland’. Op de redactie was wel gediscussieerd over de gevoelige timing, maar het argument dat de doorslag gaf, was: dit nieuws staat los van Dodenherdenking.

En zo bleef het – ook toen die ochtend ander, heftig nieuws langskwam, namelijk de aanslag op een anti-islambijeenkomst in Amerika, waar Geert Wilders had gesproken. Daar werd op de redactie over gesproken: moest de voorpagina nu niet worden omgegooid? Uiteindelijk werd beslist van niet, omdat nog veel onduidelijk was, ook of de aanslag op Wilders was gericht – en die indruk wilde de krant niet wekken. Er werd een kadertje voor ingeruimd onder het Israëlnieuws en een stuk op pagina 3.

Toch had het in mijn ogen goed andersom gekund. Zó dwingend was het Israëlische rapport nu ook weer niet, blijkt al uit het genuanceerde stuk van correspondent Derk Walters. En de aanslag in de VS deed het islamdebat daar kantelen, ook zonder Wilders. De indruk van ‘juist op 4 mei Israël bashen’ was dan voorkomen. De afweging viel anders uit. Los daarvan: een provocerende of kwetsende bedoeling, zoals sommige lezers menen, zat er niet achter.

Tweede voorbeeld. Een week eerder opende de krant met het bericht Chirurg beseft eigen fouten niet (1 mei, als enige stuk op de voorpagina). Het artikel van wetenschapsredacteur Sander Voormolen ging over een experiment, in een Canadees ziekenhuis, met een zwarte doos in de operatiekamer. Dat levert informatie op die nu vaak verloren gaat.

Maar, schreven lezers (ook een chirurg), waarom moet de krant zo nodig „onrust zaaien” over medische fouten? Het gaat om één Canadese proef, er is nog geen wetenschappelijke publicatie van de resultaten. Inderdaad, de kop legde het accent op medische fouten – er kwam meteen een enthousiaste reactie van een letselschadespecialist – maar in het stuk zelf is vooral sprake van „kleine onregelmatigheden” en „ongelukjes”.

Voormolen, zegt hij zelf, bedoelde er niet meer mee dan het signaleren van een interessant experiment, dat binnenkort ook in Nederland start. Ja, de regel is dat er een peer reviewed publicatie moet zijn; daardoor negeerde de krant, terecht, onderzoek van Diederik Stapel naar ‘vleeshufters’. Maar je kunt ook best eens een origineel onderwerp onder de aandacht brengen, voordat alles klip en klaar is afgerond, driedubbel gecontroleerd en verzegeld.

Alleen, door de prominente plaats en de harde kop wekte de krant bij deze lezers de indruk van spectaculair nieuws. Terwijl over deze proef een jaar geleden al werd bericht in verschillende Canadese media. Aanleiding om het nu te brengen was dat de bedenker ervan had gesproken op een medisch congres in Amsterdam, zo stond in het stuk. In The Toronto Star kondigde hij in augustus 2014 al aan zijn idee „internationaal te gaan promoten”. Dat is hem dus gelukt.

Kortom, een interessant stuk, het signaleren voorop best waard – maar toch eerder een bammetje dan BAM.