Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Van mij

Ik stak de sleutel in het slot. Mijn sleutel. Mijn slot. Maar ik kende ze beide nog niet. Ik was al veel vaker in ons nieuwe huis geweest, maar nooit alleen. Ik had nog nooit zelf deze deur geopend. Het slot gaf niet meteen mee. Ik wrikte wat met de sleutel, duwde en trok aan de deurknop en verheugde me alvast op hoe ik hier later routine in zou hebben, in het speciale duwtje voor deze deur. Mijn deur. Ik had gemerkt dat ik tot nu toe vooral aan het nieuwe huis – ons nieuwe huis – had gedacht als het huis van mijn vriend. Wel een huis waar ik ook gezellig ging wonen, maar toch hoofdzakelijk zijn project. Misschien omdat er voornamelijk geld van hem in zit, misschien omdat hij de meeste beslissingen over vloeren, plinten, verf en kunstgras (voor op het dakterras) had genomen. Hij is daar beter in. Ik heb over veel zaken een sterke mening, maar blijkbaar niet zo over interieurinrichting. Daarbij lag ik de afgelopen maanden, wanneer ik niet mijn best aan het doen was op mijn nieuwe werk of op deze column, vooral te slapen of te kotsen. Ik was in mijn eigen interieur een mens aan het bouwen. Over de precieze inrichting dáárvan heb je dan weer frustrerend weinig te vertellen, maar dat terzijde. J. krijgt straks zijn eerste kind, ik bezat nu voor het eerst in mijn leven een huis, een half huis, strikt genomen. En toen ik de trap op liep, moest ik bekennen dat dat een lekker gevoel was: een huis bezitten.

Het was negen uur ’s ochtends. Tussen negen en twaalf zou het nieuwe fornuis (uiteraard ook weer door J. uitgezocht en betaald) worden bezorgd. Ik hoopte dat door mijn zogenaamde opoffering om hier op de bezorging te wachten mijn schuldgevoel over de oneerlijke gang van zaken – waar J. overigens totaal niet mee leek te zitten – enigszins af zou nemen.

Ik keek het huis rond. Dat was helemaal leeg. Echt helemaal. Er hingen nog geen gordijnen, er lag nog geen vloer. Hier was het stil, zowel binnen als buiten. Door deze straat reden maar heel weinig auto’s en geen tram. Ineens realiseerde ik me dat ik nog nooit in mijn leven in een straat heb gewoond waar geen tram doorheen rijdt.

Morgen zouden de bouwvakkers beginnen, over een maand gaan we met z’n drietjes verhuizen, aan het eind van het jaar zullen we, als alles goed gaat, met z’n vieren zijn. Hoe vaak zou het dan nog stil zijn hier?

Ik liep door de lege slaapkamers boven en opende daarna het luik naar het dakterras. Ook daar overviel de stilte me weer. Ik aaide met mijn hand even door de lavendel die blijkbaar bij de koop inbegrepen zat, voelde dat de planten water nodig hadden, maar wist niet hoe ik dat moest doen zonder gieter, of zelfs maar zonder plastic koffiebekertje. Toen ging ik toch maar weer naar beneden omdat ik bang was dat ik hier de bel niet zou horen. Ik wist zelfs nog niet hoe die klonk, onze bel.