Voor een eigen mening is geen ruimte meer

Niemand heeft een ‘echte’ mening maar wel een publieke, gratuite, constateert Coen Simon. Het twitterdebat verzandt in morele dronkenschap.

Illustratie Daphne Prochowski
Illustratie Daphne Prochowski Illustratie Daphne Prochowski

‘Het is ongedierte dat moet verdelgd worden. Het is de ondergraving van de democratie, als dit onkruid blijft voortwoekeren, het zijn aspirant Syriëgangers”. Het is zomaar een online reactie op het bericht dat de dodenherdenkingen in Hoofddorp en Bergen op Zoom werden verstoord door een paar schreeuwende jongens. Vooral door het smartphone-filmpje van het voorval in Hoofddorp ging het bericht via verschillende nieuwssites meteen viral op de sociale media. De twitteraar met het hart op de juiste plaats was er als de kippen bij om uit respect zijn afschuw te delen. Want als ‘Twitter ontploft’ dan spat de morele verontwaardiging alle kanten op.

Of het nu gaat om Je suis Charlie, Zwarte Piet, #bedbadbrood of bonusgraaiers, het publieke debat is, zoals we weten, met de komst van de sociale media ingrijpend veranderd. Je zou misschien denken dat, als iedere burger via de smartphone in zijn broekzak veel directer en mondiger kan meedenken en -beslissen over maatschappelijke kwesties, het debat wel gedemocratiseerd zal zijn. Maar in werkelijkheid is het debat vooral gepolariseerd, geïroniseerd en gemoraliseerd.

Dat the medium the message is leerden we al in 1964 van Herbert Marshall McLuhan (de Canadese filosoof die het internet voorspelde, dertig jaar voor de uitvinding ervan), en toch zien we gemakkelijk over het hoofd dat dit ook betekent dat onze mening nooit losstaat van de aard van het medium, en mutatis mutandis dat de democratie telkens opnieuw moet worden uitgevonden bij de introductie van nieuwe media.

Ontploffen is geen incident

Het ‘ontploffen van Twitter’ is exemplarisch voor de druk die de nieuwe communicatiemiddelen uitoefenen op ons democratisch bestel. Dit zogenaamde ontploffen is namelijk geen incident, maar een onderdeel van het medium, waarvan het systeem met trending topics de belangrijkste aanjager is. Het patroon waarlangs een 'ontploffing' verloopt, werd kortgeleden duidelijk zichtbaar in de reacties op de bootramp van 19 april, waarbij zeker 800 vluchtelingen omkwamen. Het debat werd in een mum van tijd bepaald door de afschuw over de reacties op de ramp. („Dat ruimt lekker op!” „Laat maar verzuipen! We hebben al genoeg moslims!”). De opiniemakers van de oude media reageerden meteen zoals gebruikelijk op deze trending topics (#dobberneger) als op een nieuwswaardige gebeurtenis. Er verschenen nieuwsitems en columns over die onmiddellijk werden gedeeld in de nieuwe media om daar opnieuw een algemene publieke verontwaardiging op gang te brengen, die vervolgens haar weg weer vond naar de oude media. Een cirkelend proces dat meestal nog enkele rondjes voortduurt en de verontwaardiging opstookt totdat het debat alleen nog kan maar kan verstommen in een morele dronkenschap – over de aanleiding (de humanitaire gevolgen van een Europees immigratiebeleid) gaat het allang niet meer, we nemen elkaar alleen nog de maat. Zoals de nieuwslezer Roelof Hemmen die zich in een column op de website van RTL Nieuws boos maakt over al die ‘harteloosheid’. Hij had er ‘zó genoeg van’. Wat we verder aanmoesten met de gevolgen van de vluchtelingenstroom liet hij in het midden. Althans, Hemmen snapte wel „dat we al die arme sloebers hier niet kunnen hebben”. Maar daarom hoeven we nog niet zo onbeschaafd te reageren natuurlijk. Vroom sloot hij af met een recente uitspraak van de Paus: „De confrontatie met zo'n grote tragedie doet mij oprecht pijn”. Zijn gratuite hartekreet werd bijna 50.000 keer gedeeld.

Als de mediasocioloog Jan van Dijk zich desgevraagd in het Reformatorisch Dagblad ook in het morele gekeuvel mengt, heeft hij geen oog voor deze trending dynamiek van de sociale media. Hij constateert alleen dat mensen deze middelen ervaren als ‘een relatief veilige uitlaatklep’ voor hun gevoelens, waardoor we nu juist kunnen lezen ‘wat mensen echt denken’. In zijn analyse vergeet Van Dijk echter dat technologie, en in het bijzonder die van de sociale media, ook invloed heeft op de inhoud van onze publieke mening: the medium is the message. Toen beelden, gekscherende of beledigende opmerkingen nog niet viraal gingen, zag de leefwereld van de burger er anders uit en daarmee ook zijn mening. We denken niet eerst iets echt, om daarna die mening te delen. We speuren het nieuws en de omgeving af naar een puntige mening die zich in 140 tekens laat vatten.

We formuleren nauwelijks nog zelf, maar liken en sharen vooral. Veelzeggend in dit verband is de op dit moment populaire uitdrukking ‘Dít’, met alleen een link naar een film, foto of tekst, die verder maar voor zichzelf moeten spreken. Je kunt het even gemakkelijk aantreffen met een youtube-link van een steniging als met een link naar een ballet van Penny de Jager.

De toestand van het vrije woord ondervindt op dit moment de paradoxale gevolgen van de Verlichting, de periode tweehonderd jaar geleden. De Duitse filosoof Immanuel Kant riep toen de mens op om zich te bevrijden uit de „onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten” had. Het wetenschappelijke en maatschappelijke debat moest niet langer gedicteerd worden door de dogma’s van de kerk, vond Kant. „Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!” En hup, de mening was geboren.

De mond wordt gesnoerd

Het is fijn dat die mening sindsdien alleen maar vrijer en individueler is geworden. Toch wordt het mondig geachte individu de mond al gesnoerd voordat hij zijn eigen mening heeft kunnen ontwikkelen. Voordat hij zelf overwogen heeft kunnen nadenken, zijn er al vele wetenschappelijk onderbouwde meningen geproduceerd, gedeeld en geliked dankzij de huidige technologie. En zelfs ook vóór hij zijn onderbuik kan laten spreken, hebben tientallen satirische media zijn eigen gevoelens al voor hem geïroniseerd.

Jürgen Habermas (1929), een van de belangrijkste nog levende denkers van de afgelopen vijftig jaar, wees er in zijn Theorie van het communicatieve handelen (1981) al op dat het vrije woord en de redelijkheid van het debat onder druk komen te staan als de communicatiemiddelen de deelnemer te weinig de ruimte geven om op eigen houtje zijn mening te kunnen onderbouwen (op feiten), rechtvaardigen (op normen) en verantwoorden (op persoonlijke beleving).

Habermas had in 1981 met ‘communicatiemiddelen’ natuurlijk nog niet onze sociale media voor ogen, maar zeker is dat in zijn visie deze middelen de rationele en democratische ruimte van de burger behoorlijk verkleinen. Wat zouden we daar volgens Habermas aan kunnen doen?

In een wereld die van sociale media aan elkaar hangt, betekent dat niet dat de individuele burger alles beter zelf kan gaan onderzoeken, en ook niet dat hij meer offline zou moeten gaan ‘beleven’, maar juist dat een samenleving de rationaliteit van haar maatschappelijk debat moet waarborgen door veel te investeren in media die gemeenschappelijke cultuur en een gedeelde leefwereld dichterbij de burger brengen. Alleen zulke media kunnen de eendimensionale verontwaardiging nuanceren, die aan de lopende band door de nieuwe media worden geproduceerd.