Literatuur blijft te wit

‘Het is toch een formidabele wanprestatie van de Nederlandse vertellers om niet te zien dat hun samenleving in de afgelopen twintig jaar drastisch van kleur en aard is veranderd?” schreef journalist en essayist Anil Ramdas in een vlammend betoog in NRC Handelsblad in 1997.

Je mag verwachten dat er 18 jaar later iets zou zijn veranderd. Maar een blik op de meest recente genomineerden voor de Libris Literatuur Prijs doet het tegenovergestelde vermoeden. Toch wil ik het niet hebben over de gevestigde literaire orde, maar over de hemelbestormers van Das Magazin: het tijdschrift, de festivals, boekenclubs, feestjes en de nieuwe uitgeverij.

Onlangs las ik in Volkskrant Magazine een lofzang op Das Magazin waarin een cruciaal punt over het hoofd wordt gezien: het is wit. Lezers van ‘Das Mag’ en het feestpubliek zouden zich ‘hip, aantrekkelijk en intelligent’ voelen. En wit. De veelal witte gevestigde literaire orde draagt Das Magazine een warm hart toe; niet alleen omdat ze vernieuwend zijn en een breed publiek bereiken, maar naar ik vermoed ook omdat zij een weerspiegeling zijn van hun jongere en allicht minder sexy ‘ik’.

Rappers als Sef en Akwasi tot je netwerk rekenen geeft je misschien street credibility maar maakt je niet minder wit. Als we het netwerk nader bestuderen, kunnen we stellen dat Das Magazin witter is dan de ‘traditionele’, ‘stoffige’ literaire scène. Je zou zelfs kunnen stellen dat Das Magazin de Minerva van de literatuur dreigt te worden. Waar de Leidse Studentenvereniging de kweekschool blijkt voor toekomstige VVD-ministers en staatssecretarissen van Justitie, zo is Das Magazin dat voor de toekomstige Grote Drie en hun uitgevers?

Het is 2015. In Amsterdam heeft bijna 50 procent van de bevolkingsgroep roots van niet-westerse komaf. Maar Das Magazin borduurt onbewust voort op de eeuwenoude Nederlandse traditie van culturele segregatie, in een hippe en sexy variant.

Een vergelijking van De Nederlandse literatuur van de 21ste eeuw samengesteld door Wim Brands met Granta’s Best of Young British Novelists uit 2013 onderschrijft deze stelling. Over die laatste schreef The New York Times: „A majority of the writers were either born outside Britain or are the children of immigrants, from countries as far-flung as Pakistan, Nigeria, Hungary, China, Australia and Jamaica.” Van de 60 (!) Vlaams-Nederlandse talenten zijn de schrijvers met niet-westerse roots op één hand te tellen. Waarom ontbreken schrijvers zoals Karin Amatmoekrim, Mano Bouzamour, Chika Unigwe, Murat Isik en Özcan Akyol op Brands’ lijst? En hoe komt het dat de uitgeverswereld niet in staat blijkt een Nadifa Mohamed of Zadie Smith in Nederland te ontdekken? Waarom krijgen romans van schrijvers met een niet-westerse achtergrond een status aparte, het plakkaat ‘migrantenliteratuur’?

Dat er culturele segregatie in Amsterdam bestaat, kunnen we als een gegeven beschouwen. Begin 2014 publiceerden WRR en SCP een rapport waarin de sociale en culturele tweedeling in de samenleving wordt aangekaart. Begin 2015 kwam Eurostat en de OESO met een analyse waaruit bleek dat arbeidskansen voor ‘allochtonen’ bijna nergens zo slecht zijn als in Nederland. Meritocratie is dus een mythe. Ervan uitgaan dat een dergelijke segregatie binnen het literaire uitgeefvak niet bestaat is een waanidee. Zouden we niet een keer het debat moeten aangaan over de mechanismen die deze ‘tweedeling’ in de literatuur mogelijk maken en in stand houden?

Is een ‘homogeen’ literair milieu goed voor de toekomst van de Nederlandse literatuur? Eén dat de Usual Literary Suspects verafgoodt en een variatie op De Grote Drie & consorten in hippere jasjes reproduceert, zorgt in elk geval niet voor vernieuwing. Het leidt tot een herhaling van zetten en consolideert slechts de verworven status en positie van schrijvers en uitgevers. Het spreekt een specifieke doelgroep met een specifieke achtergrond en economische klasse aan. Zo blijft de onze literatuur statisch, conformistisch, monocultureel en saai.

Ik zou Das Magazin adviseren om uit de eigen comfortabele hoofdstedelijke, monoculturele middenklassebubbel te stappen en om Nederland echt te zien voor wat het is: Dream City. In haar essay Speaking in Tongues beschrijft Zadie Smith Dream City als volgt: „It is a place of many voices, where the unified singular self is an illusion. […] In Dream City everything is doubled, everything is various. You have no choice but to cross borders and speak in tongues.”

Ik schrijf dit, in de geest van Das Magazin-oprichters Daniel van der Meer en Toine Donk, ongehinderd door enige kennis van zaken wat betreft de Nederlandse literaire canon, haar geschiedenis en cultuur.