Anders gezegd: hetzelfde

Iets gewoons wordt iets bijzonders door gebruik te maken van stijlfiguren, zeggen de Vlaamse letterkundigen Paul Claes en Eric Hulsens.

illustratie stella smienk

Wie weet er nog wat metonymie is? Of een zeugma, een anakoloet, een allusie? Het is goed dat er nu een boek verschijnt waarin al die stijlfiguren worden uitgelegd: een Groot retorisch woordenboek, dat werd samengesteld door de Vlaamse letterkundigen Paul Claes en Eric Hulsens. De ondertitel, Lexicon van stijlfiguren, dekt de lading het best.

Een kleine tweeduizend jaar geleden werden de stijlfiguren al eens uitvoerig beschreven, door de Romein Quintilianus. In zijn De opleiding tot redenaar beschrijft hij er honderden. Wat kan een hedendaagse auteur daar nog aan toevoegen?

„Inderdaad”, zegt Paul Claes, „hoe modern sommige stijlfiguren ook lijken, er blijkt altijd al een antieke term voor te bestaan. W8 ff in chattaal is gewoon een allograaf: iets op een afwijkende manier spellen. En wat in de politiek tegenwoordig framing genoemd wordt is meestal niet meer dan het gebruik van een eufemisme of een dysfemisme. Als je bezuinigingen ‘hervormingen’ noemt is dat een eufemisme. Als je de hypotheekrenteaftrek ‘villasubsidie’ noemt, is dat een dysfemisme: het tegenovergestelde van een eufemisme.”

Een en al stijlfiguur

Is er dan in tweeduizend jaar helemaal niets veranderd? Jawel: volgens Claes zijn veel stijlfiguren die vroeger veel gebruikt werden nu in onbruik geraakt. Dat is vooral in de poëzie heel duidelijk, vindt hij. „Poëzie, dat was vroeger een en al stijlfiguur. Bij Vergilius bestaat ieder vers uitsluitend uit stijlfiguren. Tegenwoordig bestaan gedichten voornamelijk uit metaforen. De metafoor is maar één van de honderden stijlfiguren die er zijn.”

Hij vindt dat een verarming. „Er is nu een tendens om te schrijven zoals je spreekt, terwijl er vroeger juist een tendens was om te schrijven zoals je niet sprak: het moest gek klinken, anders was het geen poëzie. Literaire schrijvers hadden een speciale poëtische taal: een zo retorisch mogelijke, zo bloemrijk mogelijke taal. Pas met de romantiek begon dat te veranderen. Toen zijn de eerste pogingen ondernomen om te proberen te schrijven zoals je sprak. Na de Tweede Wereldoorlog werd dat algemeen, mede onder invloed van de Angelsaksische literatuur.”

Rijm en metrum verdwenen, allerlei andere gekunstelde stijlfiguren verdwenen. „Op een bepaald ogenblik waren er alleen nog maar metaforen”, zegt Claes.

Al zijn er natuurlijk ook nog ‘de ontregelaars’: dichters die vinden dat je de taal moet ontregelen. „Wat zij doen, is vaak alleen maar een beetje inversie toepassen: de woordvolgorde omdraaien. Een dichter als Faverey doet dat de hele tijd. Dan wordt het „op een hond zijn kop stak” in plaats van „een hond stak zijn kop op”.

Claes pakt de Verzamelde Werken van Hans Faverey (1933-1990) uit de kast, zoekt het betreffende gedicht op en somt de stijlfiguren op die er nog meer in voorkomen. Ellipsen: zinnen die niet worden afgemaakt. Anakoloeten: zinnen die niet goed lopen. En een paradox. „En dat is het”, zegt hij, terwijl hij het boek dichtslaat.

Claes: „Ik zou een lans willen breken voor het herwaarderen van de metonymie als een stijlfiguur die werkelijk functioneert.” Maar wat was dat ook al weer, metonymie?

Als je een begrip door een ander begrip vervangt zonder dat er sprake is van een metafoor, dan noem je dat metonymie. Het klassieke voorbeeld is ‘een glaasje drinken’. Daarin is ‘glaasje’ een metonymie. Want je drinkt niet het glas, maar de wijn. ‘Wijn’ is hier vervangen door het voorwerp waaruit het gedronken wordt. Er is duidelijk een relatie tussen ‘wijn’ en ‘glaasje’. Maar het is géén metafoor: de relatie is niet gebaseerd op een gelijkenis tussen wijn en glas.

Zo is het ook met ‘blauw’ in ‘Meer blauw op straat’. ‘Politie’ is daarin vervangen door de kleur van het uniform dat de politie draagt. In onze spreektaal wemelt het van de metonymieën. ‘Nederland verloor de wedstrijd.’ Hoezo Nederland? Het waren maar elf voetballers. ‘De hardwerkende Nederlander.’ Wie is dat? O, Rutte bedoelt ‘alle hardwerkende Nederlanders’.

„Je zou dat ook onnauwkeurig taalgebruik kunnen noemen”, zegt Claes. „Als ik zeg bij een benzinepomp ‘gooi mijn auto eens vol’, bedoel ik echt niet dat mijn hele auto vol benzine gegooid moet worden. Een computer zou het wel zo opvatten. Daaraan zie je dat wij heel onnauwkeurig zijn in onze manier van communiceren. Stijlfiguren maken daar vaak gebruik van. Pas door de context begrijpen we hoe het bedoeld is.”

Dichters kunnen met deze menselijke aanleg voor metonymie hun voordeel doen. Als Remco Campert in een gedicht schrijft: ‘Heel Europa was één groot matras’, begrijpt iedere lezer dat de verwijzing naar seks hier vervangen is door een verwijzing naar het voorwerp waarop seks meestal bedreven wordt. Matras is hier een metonymie voor seks. En als Gerrit Kouwenaar schrijft: ‘Men moet zijn zomers nog tellen’, dan bedoelt hij met ‘zomers’ ‘jaren’, en met ‘zomers tellen’ ‘jaren doorlopen’: twee keer metonymie.

Claes: „Metonymieën verzinnen, daar is lateraal denken voor nodig. Je moet verschuiven, naar iets wat er zijdelings mee maken heeft. Het is het mooist als je dan met ongebruikelijke associaties komt. Lucebert en Hugo Claus waren daar erg goed in. Maar de meeste dichters doen dat weinig. Het is simpeler om een metafoor te bedenken, iets te zoeken wat er op lijkt - dat gaat de hersenen blijkbaar net iets gemakkelijker af.”

Transformaties

Een goed gebruikte stijlfiguur levert een afwijkende en daardoor opvallende formulering op. Die kun je volgens Claes beschrijven als een variant op een gewone formulering. Stijlfiguren zijn in zijn ogen ‘transformaties’: ze veranderen iets gewoons in iets bijzonders.

‘Mijn hart staat in vuur en vlam voor jou’ is een transformatie van ‘Ik hou van jou’. ‘Ik’ is vervangen door ‘mijn hart’ (een metonymie) en ‘hou (van jou)’ is vervangen door staat in vuur en vlam (voor jou)’ (een metafoor). Zowel de metonymie als de metafoor zijn gebaseerd op vervanging.

Claes: „Er zijn eigenlijk niet meer dan vijf mogelijkheden: vervangen, toevoegen, weglaten, verplaatsen en herhalen. Dat alles kan natuurlijk wel op allerlei verschillende niveaus gebeuren: op het niveau van de klanken, de woorden, de zinsdelen, de betekenissen, logica, etcetera.”

Rijm, bijvoorbeeld, is gebaseerd op het herhalen van klanken.

Inversie (‘Op een hond zijn kop stak’) is een kwestie van verplaatsen. Een paradox is: het toevoegen van iets dat op het eerste gezicht onlogisch lijkt (‘De tijd stond stil’). En in ‘Woensdag gehaktdag’ is duidelijk iets weggelaten.

Dit denken in transformaties is ontleend aan de moderne taalkunde, waarin grammaticale verschijnselen vaak als transformaties beschreven worden. De vergrotende trap? Die krijg je door een uitgang toe te voegen aan een bijvoeglijk naamwoord: ‘kleiner’, ‘mooier’, ‘sterker’. De passieve vorm? Die kan gezien worden als een transformatie van de actieve vorm: van ‘Kees las het boek’ maak je ‘Het boek werd door Kees gelezen’ door elementen te verplaatsen (je draait ‘Kees’ en ‘het boek’ om), toe te voegen (het hulpwerkwoord en ‘door’) en te vervangen (‘las’ wordt ‘gelezen’).

Dat klinkt misschien erg theoretisch. Maar er zit ook een heel praktische kant aan. „Ik heb ooit les gegeven in het schrijven van reclameteksten. Ik liet de studenten oefeningen doen: hoe kun je een gewone bewering zo veranderen dat het iets bijzonders wordt? Bijvoorbeeld: ‘De dikke man zat op een stoel.’ Je kunt zo’n zin omdraaien. ‘De stoel zat onder de dikke man.’ Dan zie je hem ineens zitten hè, die dikke man. Dat is wat reclamejongens de hele tijd doen.”

Claes heeft ook wel eens alle transformatiemogelijkheden die hij kon bedenken losgelaten op de zin ‘Je t'aime’. Dat was in een Franstalige publicatie. Voor het Nederlandse ‘Ik hou van je’ kun je dat natuurlijk ook doen. Daar zouden dit soort zinnen uit kunnen rollen: ‘Ik mag je graag’ (understatement), ‘Ik doe een moord voor jou’ (overdrijving = hyperbool), ‘Jij maakt me gek’ (gevolg in plaats van oorzaak = metonymie), ‘Ik kan je wel opvreten’ (metafoor), ‘Ik hou van je en ik haat je’ (paradox), ‘Me Tarzan, you Jane’ (bekend citaat = allusie).