Met Lucille kon hij lyrisch en venijnig spelen

B.B. King (1925-2015)

Bluesgitarist

Als jongetje leerde hij gitaarspelen op de kerkgitaar. Hij plukte katoen en werd de grootste bluesgitarist ooit.

De gisteren overleden B.B. King tijdens drie optredens. Boven: in juni 2006 in Ahoy in Rotterdam. Linksonder: in september 2001 samen met U2 in Australië. Rechtsonder:‘Blues Boy’ King in zijn beginjaren.
De gisteren overleden B.B. King tijdens drie optredens. Boven: in juni 2006 in Ahoy in Rotterdam. Linksonder: in september 2001 samen met U2 in Australië. Rechtsonder:‘Blues Boy’ King in zijn beginjaren. Foto's Andreas Terlaak; Bob King/ Getty

‘Bij de blues draait het om overleven”, zei B.B. King zeven jaar geleden bij de opening van het aan hem gewijde museum in Indianola, Mississippi. De grote bluesman doelde niet alleen op de muziek die hem in leven hield, maar vooral op de educatieve rol die hij zichzelf toebedeelde. Buitenlanders wisten meer van de geschiedenis van de blues dan de kinderen van Mississippi, de Amerikaanse staat waar hij opgroeide en waar de blues werd geboren. In het B.B. King Museum and Delta Interpretive Center staat een nauwgezette replica van de katoenschuur waar King als tractorchauffeur werkte, toen hij op vijftienjarige leeftijd zijn eerste stappen als professioneel muzikant zette. „Als de hemel net zo mooi is als dit museum”, zei King in 2008, „dan ben ik klaar om morgen te gaan.”

Riley ‘Blues Boy’ King, die gisteren thuis in Las Vegas op 89-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van diabetes, was de vader van de moderne blues en de grootste elektrische gitarist die het genre heeft voorgebracht. Hij beïnvloedde Eric Clapton, Jimi Hendrix, Stevie Ray Vaughn en Joe Bonamassa, werkte met Stevie Wonder, The Crusaders en U2 en liet bluesklassiekers na als The Thrill Is Gone, Everyday I Have The Blues en de U2-samenwerking When Love Comes To Town. Hij versleet ettelijke exemplaren van Lucille, de half-akoestische Gibsongitaar die hem zijn karakteristieke, lyrische en toch venijnige gitaarstijl gaf.

Riley B. King werd 25 september 1925 geboren op de katoenplantage in het gehucht Itta Bena, Mississippi waar zijn ouders werkten. Zijn overgrootmoeder vertelde hem over de oorsprong van de blues in het slavernijtijdperk, toen de klaaglijke muziek werd gezongen om de getergde zielen van de harde werkers op de katoenplantages te verlichten. Ook diende de muziek om te waarschuwen voor de komst van de plantage-eigenaar. Riley leerde zijn eerste gitaargrepen op zevenjarige leeftijd op de gitaar die in de kerk gebruikt werd om de gemeente te begeleiden. De blues leerde hij kennen van de 78-toerenplaten van Robert Johnson, Blind Lemon Jefferson en Lonnie Johnson die zijn tante Mima voor hem draaide.

Riley King begeleidde gospelmuziek bij het St. Johns Quartet en verhuisde in 1946 naar Memphis, Tennessee. Hij zong en speelde blues in het radioprogramma van Sonny Boy Williamson en werd bekend als de Beale Street Blues Boy, hetgeen hem de artiestennaam B.B. King opleverde. Zijn bluesheld T. Bone Walker overtuigde hem dat hij elektrisch moest gaan spelen, met de melancholie van de countryblues en de stijl van de grote stad. Walker leerde King dat de gitaarsnaren en versterker een verlengstuk van zijn lichaam moesten vormen. En hij overtuigde King ervan om een bluesorkest met blaasinstrumenten te gaan leiden.

Zijn eerste grote plaatsucces had hij in 1952 met 3 O’Clock Blues, gevolgd door hits als You Know I Love You, Woke Up This Morning en Everyday I Have the Blues. Het album Live at the Regal uit 1964, opgenomen in het Regal Theatre in Chicago, geldt nog altijd als een van de beste bluesregistraties aller tijden. In 1970 kreeg B.B. King een Grammy voor The Thrill Is Gone waarmee hij zowel de pop- als de r&b-hitparade veroverde. Andere pophits behaalde hij met Paying the Cost to be the Boss en Ask Me No Questions. Op het album B.B. King in London verdrongen Britse muzikanten als Peter Green, Ringo Starr, Steve Marriott en Alexis Korner zich om de meester te mogen begeleiden.

Zijn leven lang behield B.B. King de visie dat de blues weliswaar een rijke traditie had, maar dat hij de muziek rijp wilde maken voor de toekomst. Hij werkte met uitgebreide orkesten en liet in grootse arrangementen horen hoe blues en jazz met elkaar verweven waren. Hij speelde regelmatig op festivals als North Sea Jazz en zocht samenwerking met artiesten als Stevie Wonder, met wie hij in 1973 het album To Know You is to Love You opnam. Met funkband The Crusaders en het Royal Philharmonic Orchestra maakte hij in 1981 het album Royal Jam. In 1989 toerde hij met U2, met wie hij de gezamenlijk hit When Love Comes To Town opnam. Een van zijn vele Grammy’s kreeg King in 2000 voor het album Riding With The King met Eric Clapton, die op de hoes de chauffeur van zijn leermeester speelde.

Tot op hoge leeftijd bleef B.B. King meer dan honderd concerten per jaar geven, tot aan zijn Farewell Tour in 2006 die hem er niet van weerhield om in 2011 nog op het Galstonburyfestival te staan.

B.B. King was twee keer getrouwd maar had het te druk met toeren voor een huwelijksleven. Hij heeft zeker 15 kinderen en meer dan 50 kleinkinderen.

Twintig jaar geleden werd diabetes type 2 bij hem vastgesteld. Hij was woordvoerder bij acties om de aandacht op de ziekte te vestigen. De blues verliest zijn grootste gentleman, een muzikant die blijft inspireren.