Filosoof ruilde één god in voor Griekse godenwereld

Samuel IJsseling (1932 - 2015)

Publieksfilosoof

Wat wij waarheid noemen, is een gedachtenzwerm.

„Tegenover de fascinatie met de eenheid”, zei de filosoof Samuel IJsseling bijna drie jaar geleden in een interview, „houd ik een pleidooi voor de veelheid. Pluralisme in alle mogelijke vormen. In religieuze termen betekent dat: geen monotheïsme maar polytheïsme. Een veelheid van verschillen die niet tot een eenheid kan worden teruggebracht.”

Op donderdag 14 mei overleed IJsseling op 82-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Leuven. Achteraf lijkt het alsof hij met die woorden zijn eigen leven had samengevat.

Hij was gevormd in de klassieke filosofische overtuiging dat de werkelijkheid één samenhangend geheel vormt. En als katholiek priester had hij die eenheid gesymboliseerd gezien in God. Maar de Franse denkers met wie hij tijdens zijn Parijse studieverblijf in 1968 kennismaakte overtuigden hem ervan dat elk denken altijd verbrokkeld blijft. En na zijn afstand van het priesterschap, halverwege de jaren zeventig, had hij een steeds grotere liefde opgevat voor de Griekse godenwereld, die onderling net zo strijdig is als de verhalen die daarover worden verteld.

Betoveren

Die twee dingen kwamen samen in het boek Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen, dat IJsseling in 1994 publiceerde en waarmee hij een groot publiek bereikte. Hij vertelde er de oude godenmythen in na en verbond die spelenderwijs met uiteenlopende filosofische vragen. Liever dan voor vakgenoten schreef hij voor geïnteresseerden die zich niet in de geheimtaal van de academische wijsbegeerte hadden opgesloten. Het leverde hem een brede schare aan bewonderaars op die hij bij elke voordracht opnieuw wist te betoveren.

IJsseling volgde een solide academische carrière. Geboren in Delft (zijn jonggestorven vader was onderwijzer) studeerde hij in Leuven, Rome, Freiburg en Parijs, waarna hij in 1969 vrijwel tegelijk een leerstoel aangeboden kreeg in Nijmegen en Leuven. Hij koos de laatste, omdat het academisch leven daar een internationaler uitstraling had. Na zijn benoeming tot directeur van het Husserl-archief in 1974 zat IJsseling als een spin in het web van de continentale filosofie.

Tien jaar eerder promoveerde hij met een proefschrift over Heidegger, in die tijd een vrijwel onbekend terrein in het Nederlands taalgebied. Ontvankelijkheid en gelatenheid zijn veel belangrijker in het bestaan, zo leerde IJsseling van Heidegger. We ontvangen het leven als een geschenk; we máken onszelf in veel mindere mate dan we menen.

Misschien nog wel belangrijker was IJsselings kennismaking met de jonge Franse filosoof Jacques Derrida in 1968 in Parijs. Die mondde niet alleen uit in een levenslange vriendschap, maar opende IJsseling ook de ogen voor wat je de materiële kanten van de filosofie zou kunnen noemen. Elk denken vindt zijn neerslag in een tekst, zo hield Derrida hem voor. En woorden zijn altijd méér dan heldere, puntvormige gedachten. Ze waaieren uit over een veelheid van betekenissen. Wat wij ‘waarheid’ noemen is een beweeglijke zwerm van uitspraken die nooit tot een definitieve eenheid te brengen is.

Dat inzicht schokte IJsseling, maar hij gaf zich gewonnen. Een boek over de vraag hoe je de betekenis van een tekst vaststelt verdween onafgemaakt in de la, omdat ‘dé’ betekenis niet bestaat. In plaats daarvan schrijft hij het boek Filosofie en retoriek, dat in 1975 verscheen.

Niet één god

In hetzelfde jaar doet IJsseling afstand van zijn priesterschap en treedt hij uit de orde der Augustijnen. Zonder wrok, zegt hij later. Tenslotte hadden zíj hem de mogelijkheid geboden te studeren. Maar het intellectuele klimaat in de katholieke kerk gaat zienderogen achteruit en zijn geloof in de éne God heeft IJsseling al lang moeten prijsgeven. Het Griekse veelgodendom sluit veel beter aan op zijn overtuiging dat de waarheid veelvoudig is.

Pas wanneer in de jaren ’90 het Husserl-archief hem minder tijd gaat kosten, krijgt IJsseling voldoende tijd om zijn eigen gedachten uit te dragen. In boeken (meestal van bescheiden omvang), maar vooral in talloze voordrachten, workshops en openbare gedachtenwisselingen die hem een steeds breder gehoor opleveren. Hij wordt een begrip in de wereld van de publieksfilosofie.

IJsseling geniet daarvan; hij heeft, zo zegt hij in het genoemde interview, een epicuristische levensinstelling – zonder de schaduwzijden van het leven te verhelen. „Ik heb zojuist alle tragedies van Euripides gelezen”, vertelt hij. „Ik vind dat nog altijd schitterend. Maar het is wel de literaire neerslag van een tragisch bewustzijn. Uiteindelijk is het leven uitzichtloos. Daarom zeiden de antieke wijsgeren dat alle mensen eigenlijk als filosoof moeten leven. Bij Socrates vind je dat ook: een leven dat niet reflecteert op zichzelf is geen menswaardig leven. Misschien is dat al die jaren wel mijn grootste drijfveer geweest.”