Echt voor niemand bang

De Italiaanse journaliste was bot, gepassioneerd en bereidde zich uitstekend voor. Haar interviews met de groten der aarde waren echte veldslagen.

Oriana Fallaci in 1979:Gaddafi was ‘geschift, geestelijk gestoord en stapelgek’
Oriana Fallaci in 1979:Gaddafi was ‘geschift, geestelijk gestoord en stapelgek’ Foto Mondadori Portfolio/Getty Images

In 1979 interviewt de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci, het haar bedekt met de chador, in Teheran ayatollah Khomeini. Als zij hem lastig valt met vragen over de positie van de vrouw in Iran, zegt Khomeini geërgerd: ‘Als het islamitische kledingstuk u niet bevalt, hoeft u het niet te dragen. De chador is voor jonge, fatsoenlijke vrouwen’. Prompt trekt Fallaci de chador van het hoofd, waarop Khomeini de kamer verlaat.

Het is een beroemd verhaal, maar niet deze brutaliteit was bijzonder. Fallaci stond erom bekend: over Gaddafi schreef ze dat de kolonel ‘geschift, geestelijk gestoord en stapelgek’ was. Tegen de Poolse held van Solidariteit Lech Walesa zegt ze op zijn argwanende vraag: ‘Waarom kijkt u me zo aan?’ ‘Ik kijk u aan omdat u op Stalin lijkt’. (Later noemde ze hem ‘een fascistje’). Tegen de Israëlische opperbevelhebber Ariël Sharon zegt ze dat velen hem ‘een killer, een bruut, een bulldozer, een lomperik, een machtswellusteling’ noemen. Over de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger schrijft ze: ‘God, wat een ijzige man.’

Wel bijzonder was dat Fallaci net zo lang in de kamer van Khomeini bleef zitten tot zij haar gesprek een dag later mocht voortzetten. Zo beroemd, gevreesd, maar ook gewaardeerd was ze, dat zelfs de ayatollah voor de bijl ging. Ze was bot, gepassioneerd en bereidde zich uitstekend voor. Haar interviews waren veldslagen.

Na een paar jaar door haar Italiaanse hoofdredacteuren op pad te zijn gestuurd voor interviews met filmsterren in Hollywood (dat ze ‘dom en geniaal, verdorven en puriteins, amusant en saai’ noemt), verlegt ze haar belangstelling naar oorlog en politieke leiders. In Saigon ontmoet ze, als oorlogsverslaggever voor L’Europeo, haar grote liefde, AFP-journalist François Pelou, met wie ze vijf jaar een relatie heeft. Hij kiest voor zijn gezin.

M16

Haar boek over Vietnam, Niets en zo zij het, is een lange dialoog met François over politiek, macht en oorlog. In de moderne praktijk van embedded journalism is het verbazingwekkend om te lezen hoe vrij, maar ook gevaarlijk oorlogsverslaggeving was tijdens de Vietnam-oorlog, waar journalisten ter eigen bescherming niet zelden een wapen kregen van de Amerikaanse militairen. Eén keer, in 1973 in Cambodja, heeft Fallaci, omsingeld door de Rode Khmer, een M16 gebruikt. Een andere keer ontsnapt ze in Vietnam ternauwernood aan een verkrachting door Vietnamese soldaten. Haar moed is legendarisch. ‘Ik heb nog nooit een vrouw meegemaakt die zo geaccepteerd en geadoreerd werd door alle mannen als jij’, zei een Amerikaanse bataljonscommandant.

In Vietnam ziet Fallaci dat niet alleen de Amerikanen oorlogsmisdaden plegen. ‘Er is altijd een fotograaf voor de executie van een Vietcong, voor het afgehakte hoofd van een Vietcong, maar er is nooit een fotograaf voor de executie van een Amerikaan, voor het afgehakte hoofd van een Zuid-Vietnamees’. Ze haalt zich er de woede van de anti-Amerikaanse linkse pers mee op de hals. Het is verbluffend hoe dogmatisch de journalistiek in die jaren was. ‘Ik was de enige journaliste, de enige, die de waarheid over Hanoi heeft geschreven’, schrijft Fallaci. Dit betekent geenszins dat ze de Amerikaanse invasie steunt. Kissinger probeert ze te ontlokken dat de oorlog totaal zinloos is geweest.

Haar biografe Cristina de Stefano portretteert Fallaci als het kind uit een verzetsgezin, die van haar laagopgeleide ouders, die ze adoreerde, meekreeg dat moed en eerlijkheid boven alles gaan. Ze schreef negentien boeken, woonde in New York, maar keerde steeds terug naar haar geliefde landgoed Fasole in Italië. Ze werkte als een paard, rookte als een ketter en stierf op haar 77ste aan kanker.

Haar liefdes waren onstuimig, ongelukkig en als ze voorbij waren werd alle contact genadeloos verbroken. De enige met wie ze trouwt is de Griekse verzetsheld Alekos Panagoulis, die werd gemarteld en vijf jaar in een piepkleine cel verkommerde na een moordaanslag op Papadopoulos, de leider van de Griekse kolonelsjunta. Over hem schrijft ze Een man. Samenleven met hem brengt ze niet op. Hij komt in 1976 om bij een auto-ongeluk; Fallaci is er van overtuigd dat hij door zijn tegenstanders is vermoord.

Zoals Fallaci links tegen zich in het harnas joeg omdat ze in de Vietnamoorlog eveneens de communistische Vietcong bekritiseerde, zo werd ze ook in de rechtse hoek geduwd wegens haar felle anti-islamstandpunten na 9/11. De aanval op de Twin Towers, waar ze vlakbij woonde, raakte haar diep. Daarin was ze overigens consequent: al in Penelope alla guerra (1962) beschreef ze haar afkeer van de ‘lijkwade’ van de boerka. En in de roman Insjallah voorspelde ze al in 1990 dat de volgende oorlog zal gaan tussen ‘degenen die varkensvlees eten en degenen die geen varkensvlees eten’.

Ratzinger

Haar biograaf weet de verleiding van eindeloos citeren uit haar bloemrijke werk te weerstaan en schreef een mooi, niet al te psychologiserend portret van een onmogelijk, maar zeer getalenteerd en principieel mens, dat ontzag inboezemt door haar hardnekkigheid en energie. Fallaci was kwaad op de dood, die haar van haar werk haalde. Hoewel overtuigd atheïst, raakte ze tegen het einde van haar leven bevriend met aartsbisschop Rino Fisichella, die voor haar een privébezoek aan paus Benedictus XVI regelde. ‘Ik ben dol op Ratzinger’, schreef Fallaci, niet alleen omdat hij een ontwikkeld en intelligent man is, maar omdat hij een man met ballen is.’ Over dat bezoek heeft ze nooit iets losgelaten.

    • Laura Starink