De wereld is te groot om bij te horen

In elke bundel wil Robert Anker zichzelf vernieuwen, anders ‘verveelt' hij zich. De dichter wordt ouder, blijkt. In zijn nieuwste bundel is de dood meer dan ooit aanwezig.

Foto Thinkstock
Foto Thinkstock

‘Elke nieuwe bundel moet totaal anders zijn,’ stelde Robert Anker vijf jaar geleden in een interview in Awater. ‘Dat is steeds de opdracht die ik mezelf geef. Ik kan een bepaald kunstje wel herhalen, maar dan verveel ik me.’ Deze uitspraak kan een zorgeloze of zelfs onverschillige indruk maken, maar Ankers tiende dichtbundel bevestigt opnieuw dat het hem menens is. Met een nimmer afnemende gretigheid beweegt de dichter zich kameleontisch door de taal. In alle kleuren zit echter dezelfde dichter, wiens persoonlijke leven en eigen omgeving de inhoud bepalen. Steeds anders dus, maar telkens dezelfde.

De dichter wordt ouder, blijkt uit Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd. Het verjarende leeftijdsgevoel dat daarbij past verwoordt hij kernachtig in het slotvers van de cyclus ‘Bergense uitzichten’. ‘Van het uitzicht genieten’ heet dat gedicht, maar tot heus genieten komt het niet. ‘De wereld is te groot om bij te horen en dan nog al dat afscheid / Een leven lang, dat alles achterblijft, mij in de steek laat, en nu / Dreig ik mijzelf in de steek te laten, weg te lekken met het licht / Nog net op tijd ren ik naar huis en schrijf mijzelf weer bij elkaar tot / Dit gedicht waar ik zo pijnlijk van gescheiden blijf, alsnog ontheemd.’

Er wordt veel gedacht in deze bundel. Maar zoals in alle goede poëzie is niet de ratio, het transportmiddel, maar associatie. Anker systematiseert ook niet, maar reikt raadsels aan. Het tweede gedicht uit de veertiendelige reeks ‘Het lege hart’ staaft deze conclusie:

Het lege hart heeft toen de trein genomen

Toen de bus en kwam om twee uur aan

In de natuur, verwachtte daar een soort ontlezing

Opgenomen in precies de onverschilligheid

Die hem niet kent, die ritselt in een vogel

Dwarrelt in een blad, voorbijgaat in een geur

Een verre stilte klaarstaat zich te openbaren

In zijn oor – wat had hij mee terug genomen

In de bus als hij verdwenen was geweest?

Spraakzaam en raadselrijk moet hij nu wonen.

Bij eerste lezing lijkt het zonneklaar. Bij herlezing rijzen vraagtekens, die niet meer verdwijnen.

‘Het lege hart’ laat zich lezen als een indringend zelfportret en is ook daardoor de kloppende kern van Ankers nieuwe bundel. De vanzelfsprekende toon maakt indruk – met uitzondering van de rijmelarij in het negende vers. Maar zo’n melig glissando past wel bij de experimenteerlust van deze dichter.

Haaks daarop staan dan weer de prozagedichten in de derde reeks, die een opmaat biedt naar wat ik generaliserend het ‘afscheids’-deel zou willen noemen. In de laatste twintig pagina’s van Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd blikt de dichter vooral terug op zijn plattelandsjeugd en verloren vriendschappen. Indrukwekkend zijn de twee verzen met herinneringen aan zijn moeder. ‘Wij zijn niet op de wereld om onszelf uit te drukken,’ zei die moeder. Intussen ging ze toch elke week ‘te rederijken bij De Rozenstruik’. ‘Was het de moeite waard?’ vraagt de dichter haar op het sterfbed. ‘Ze keek me pijnigend aan,’ schrijft hij dan: ‘tot op heden’.

Meer dan in Ankers eerdere werk is de dood in deze bundel aanwezig. Letterlijk, zoals in ‘Toonzaal’, waarin hij het licht uitdoet. Op de achtergrond, in de verdrietig mijmerende gedichten voor Anthony Mertens en Erik Menkveld. Of – vervaarlijker – afwezig naderend, zoals in de wederhelft van het tweeluik ‘Om bij te schuilen’:

Het is nog herfst, het mompelt aarde in de tuin

oude insecten glinsteren als een slakkenspoor

bladeren draaien op de vinger van de wind

zwart druipt van de takken in een wiegend web

rook slaat neer en ruikt naar roest en noten.

Over de drempel van het huis lekt geheugenwarmte

aan de weg staat iemand roerloos toe te kijken

soms duurt het even voor ik weet dat ik dat ben.

Na de imponerende, maar al te vluchtige straattaal in gemraad slasser d.d.t. (2009) en de pamflettoon van In het westen, de laatste trans (2011) is deze terugkeer naar de lyriek voor mij een verademing.

De woede uit gemraad weerklinkt nog in de afdeling ‘Aankomst en vertrek’. In een interview in de Poëziekrant (maart 2015) vertelt de dichter dat hij zelf schrok van de emotionele lading van de soms vloekende verzen. ‘Nee,’ schrijft hij daarin bijvoorbeeld, ‘wij gaan godverdomme geen lijkrede schrijven voor elkaar / met grinnikende anekdotes, pijnlijke verzwijgingen / de elegie van weer gevonden, later toch verloren maar / wij laten ons niet kisten…’ Anker vroeg zich af of dit soort poëzie wel kon. Hij vond de verzen te anekdotisch, maar besloot toch tot plaatsing. ‘Ik heb ermee leren leven, en ik vind het nu wel goed.’

Die berusting laat de woede onverlet. Woede tegen de tijd, tegen het ouder worden, tegen onwelkome inzichten, zoals ‘we wisten niet dat we warmte zochten toen we kou verspreidden.’ Gerichte woede dus, waarin de emoties beklijven.