Opinie

Een slechte pers

Ooit had ontwikkelingshulp een onaantastbare status. Nederland heette in de jaren zeventig gidsland, liep voorop naar een rechtvaardiger wereld, achter PvdA-politicus Jan Pronk. Over wat met de jaren besmuikt ontwikkelingssamenwerking ging heten, omdat ‘hulp’ zo bevoogdend klinkt, bestond brede consensus.

Met de jaren is die afgebrokkeld. Het dominerend vertoog ging steeds vaker over corrupte regimes die ontwikkelingsgeld in eigen zak staken, hulp als druppel op een gloeiende plaat, smakelijke bijzonderheden over de neokoloniaal-comfortabele levensstijl van sommige ontwikkelingswerkers – zoals die trouwens nog steeds de ronde doen over ngo’s. Tot overmaat van ramp kwamen sommige landen die tot eeuwig ontwikkelingsgebied waren verklaard geheel op eigen kracht uit het economisch moeras.

De ideologie rond ontwikkelingssamenwerking is derhalve drastisch veranderd: armoedebestrijding prima, liefst in VN-verband, maar toch vooral gezonde economische groei bevorderen, en liefst zo dat het Nederlands bedrijfsleven er ook nog iets aan heeft. Wat ooit onbaatzuchtig en genereus leek, heet nu naïef en inefficiënt. Dat moet voor de mensen die in ontwikkelingssamenwerking werkzaam waren en zijn een enorme omschakeling zijn geweest.

Toch zou je niet onmiddellijk op de gedachte komen dat er in de ontwikkelingswereld iets is veranderd, als deze middag in Amsterdam het rapport Wereldwijde armoede in de media wordt gepresenteerd, uitgevoerd in opdracht van de NCDO, de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling. Onderzoeker Mirjam Vossen heeft tussen 2011 en 2014 de inhoud van dagbladen nagevorst op artikelen over ontwikkelingssamenwerking. Dat viel haar niet mee.

Sommige kranten – waaronder de onderhavige – hebben wel drie keer zoveel berichten over problemen met ontwikkelingssamenwerking als berichten waarin successen worden gemeld. Op opiniepagina’s is tweederde van alle stukken negatief van toonzetting. Vossen poneert op grond van deze bevindingen de stelling: kranten zijn verantwoordelijk voor scheve percepties van het publiek.

Best mogelijk dat het een prima rapport is – het is hier vanmiddag niet verkrijgbaar. Maar in de paneldiscussie steelt ene Amma Asante, politicoloog en adviseur maatschappelijke ontwikkeling, de show. Zij weet precies waarom kranten zo slecht schrijven: ze schrijven alleen wat ze denken dat lezers willen horen. Ze heeft trouwens meer grieven: het pejoratief gebruik van de term ‘Afrikanen’ bijvoorbeeld, dat naar haar oordeel vooral indolentie, armoede en hulpeloosheid zou aangeven. Tegen haar ferme benadering gaan de overige discussiedeelnemers maar schoorvoetend in.

Niet alles is de schuld van de pers overigens: Vossen telde dat bij advertenties voor fondswerving meestal enthousiaste blanken worden getoond en inbreng van de mensen in de doellanden buiten beeld blijft. Dus wel ‘Anja helpt in Nepal’, maar geen foto van gravende Nepalezen.

In de jaren zeventig hoorde je bij discussies over maatschappelijke vraagstukken vaak dat een ‘mentaliteitsverandering’ nodig was – dan kwam alles goed. Onderwijs en pers zouden daarvoor zorgen. Nu de mentaliteit inderdaad veranderd is – zij het niet in de gewenste richting – is voor een deel van de ontwikkelingswereld de boodschap dezelfde gebleven: als de pers maar positiever was. Ik ben hier vanmiddag op sentimental journey.