Zes maanden oorlogsbuit van Boko Haram

Panna Bukar is een van de ontvoerde vrouwen die onlangs werden bevrijd uit handen van terreurgroep Boko Haram. „Ze noemden ons oorlogsbuit.”

Panna Bukar: 'Ik vind het moeilijk aan al dat verdriet te denken. Het is zo groot.'Foto Femke van Zeijl
Panna Bukar: 'Ik vind het moeilijk aan al dat verdriet te denken. Het is zo groot.'Foto Femke van Zeijl Foto Femke van Zeijl

De uiteinden van de krulhaartjes van haar acht maanden oude dochter hebben de vaaloranje kleur van beginnende ondervoeding. Panna Bukar kon haar eigen ontberingen in de zes maanden gevangenschap van Boko Haram nog verdragen, zegt ze. De wanhoop sloeg pas echt toe, toen ze haar baby de borst niet meer kon geven. „Nadat we het Sambisawoud in gedreven waren, kregen we bijna niets meer te eten. Alleen wat maïs, enkel geschikt als veevoer. Er zijn in het bos zoveel kinderen omgekomen van de honger.”

Toen ze een week geleden van de truck werd geladen in het opvangkamp in Yola, in noordoost Nigeria, kon Panna nauwelijks lopen. De medewerkers van nationale hulporganisatie NEMA die de vrouwen en kinderen de wagen uithielpen, hadden soms tranen in de ogen, herinnert ze zich. Panna is een van de vrouwen die onlangs door het Nigeriaanse leger werden bevrijd uit de klauwen van

Boko Haram. Met 274 andere vrouwen en kinderen werd ze ondergebracht in het Malkohi ontheemdenkamp aan de rand van Yola.

Panna Bukar zit met haar zuigeling onder een boom aan de rand van het schoolterrein dat nu wordt gebruikt als opvangkamp. Ze is begin vijftig en kreeg in haar leven veertien kinderen, waarvan er vijf overleden, lang voor Boko Haram. Toch zegt ze in haar leven nooit armoede te hebben gekend.

Haar man was ambtenaar bij de watervoorziening in Damboa, een stad negen kilometer van hun dorp Gumsari. Hij verbouwde maïs en bonen voor de verkoop, en zij vulde het familie-inkomen aan met het verkopen van akara, gefrituurde bonencake. Er was altijd genoeg geld voor kleding en voedsel.

Maar moet je haar nu zien. Ze wijst op het gesprongen eelt op haar voeten, haar vermagerde baby en de door het Rode Kruis geschonken wikkeldoeken waarin ze zich heeft gehuld. „Soms voelt het alsof ik het zelf niet ben.”

Natuurlijk hadden ze gehoord van de opmars van Boko Haram. Er waren zelfs directe confrontaties. De middelbare school in het dorp werd drie jaar geleden platgebrand door de moslimstrijders, en nadat de overheid het gebouw had opgeknapt, staken ze het weer in de fik. Toen bleven de kinderen maar thuis. Maar dat ze hun dorp zouden overvallen, vonden de inwoners maar moeilijk te geloven.

Slachtpartij in Gumsari

Op een vrijdagmiddag in december, Panna stond bij de waterput, hoorde ze schoten. De mannen die het dorp binnenstormden, droegen militaire uniformen en aanvankelijk dacht ze dat het soldaten waren. Tot ze ‘Allahu akbar’ begonnen te roepen, in het wilde weg om zich heen schietend. Ze verzamelden alle dorpelingen op een open plek, de vrouwen en kinderen aan een kant, de mannen aan de andere. Daar begon de slachtpartij. 36 mannen schoten ze dood, van drie sneden ze de keel door. De 280 vrouwen en kinderen werden in een karavaan het dorp uitgedreven.

Panna krast met een kiezelsteen over haar voetzolen en staart uitdrukkingsloos over de zandvlakte met termietenheuvels en apenbroodbomen. Pas als ze beschrijft hoe ze tot diep in de nacht doorliep, voortgedreven door machinegeweren, met haar driejarige zoon op haar schouders en haar baby op de rug, breekt haar stem. Ze liet een platgebrand dorp achter, zonder te weten wat er was gebeurd met haar echtgenoot en zeven andere kinderen.

De tocht leidde uiteindelijk naar Gwoza, de stad in de deelstaat Borno waar Boko Haram zijn hoofdkwartier had gevestigd. In een leegstaand huis met acht kamers – de meeste bewoners waren Gwoza ontvlucht – werden de 280 vrouwen en kinderen ondergebracht. „We huilden allemaal, maar ze schreeuwden ons toe dat we op moesten houden en beloofden dat ze ons terug naar ons dorp zouden brengen.”

In de vier maanden dat ze in Gwoza opgesloten zaten, werden ze slechts drie keer opgetrommeld voor gebed. „Omdat we ons niet bij hen wilden aansluiten, zagen ons als ongelovigen, ook al waren we moslims. De Koran was aan ons niet besteed, vonden ze.”

Een van Chibok-girls gezien

Overdag werden ze op het ommuurde erf gelaten en hielden ze zich bezig met huishoudelijke taken: koken, wassen en de kinderen baden. Over wat ze vreesden, zwegen ze. Maar zeker de jonge vrouwen zonder kinderen waren bang te worden uitgehuwelijkt aan een Boko Haramstrijder. Ze hadden gehoord dat daar niet veel voor nodig was: een paar schoten in de lucht en het ‘huwelijk’ was gesloten.

De vrouwen werd echter al die tijd in Gwoza geen haar gekrenkt. „Misschien vonden ze ons als ongelovigen te min”, oppert Panna. Ze kregen zelfs prima te eten. „Steeds als ze een dorp hadden overvallen en alle winkels geplunderd, kwamen ze terug met eten. Ze hebben zelfs drie keer een koe voor ons geslacht.”

Tijdens haar gevangenschap in Gwoza kon Panna de straat niet op. Wel kon ze over de schutting gluren naar de buren, waar ze pindakoek verkochten. Daar zag ze ooit een jonge vrouw die haar vertelde dat ze een van de schoolmeisjes was die in de nacht van 14 op 15 april vorig jaar uit Chibok werden ontvoerd. De ‘Chibok girls’ werden wereldwijd het symbool voor het lijden van de bevolking in noordoost Nigeria onder Boko Haram.

Panna is niet de eerste ontheemde die gewag maakt van de aanwezigheid van Chibok-meisjes in Gwoza. Ook het Nigeriaanse leger – hoewel hun informatie in het verleden vaak weinig betrouwbaar bleek – beweerde dat de meisjes zouden worden vastgehouden in Gwoza. Vooralsnog ontbreekt echter elk spoor van de ruim 200 scholieres.

BBC op mee gesmokkelde radio

Wat er in Gwoza verder gebeurde, daarvan hadden de gevangenen geen idee. Wel luisterden ze iedere ochtend naar de Hausazender van de BBC op de transistorradio die een van de vrouwen had mee gesmokkeld. Het was hun enige contact met de buitenwereld. Panna grinnikt. De batterijen voor de radio kwamen uit de zaklantaarn die Boko Haram ze had gegeven: „Zo hielpen ze ons zonder het te weten aan informatie.”

Ze waren dan ook op de hoogte van het offensief tegen Boko Haram toen de strijders hen op een middag uit het huis haalden. „Ze hadden informatie dat het leger Gwoza over twee dagen zou binnenvallen, en wilden iedereen meenemen naar Sambisa.” Pas toen Panna voor het eerst de straat weer opkwam, realiseerde ze zich dat zoveel meer vrouwen en kinderen gegijzeld zaten in de stad.

De sfeer werd grimmiger. „Boko Haram noemde ons oorlogsbuit. Ze konden met ons doen wat ze wilden, zeiden ze. Ze zouden ons verkopen.” Vanaf dat moment tot aan hun bevrijding vijf weken geleden, kregen ze nauwelijks meer te eten. Ze knijpt in Aisha’s platte wangen. „Kai! Kun je geloven dat ze in Gwoza nog een mollige baby was?”

Een dag lang werden de vierhonderd vrouwen en kinderen te voet voortgedreven terwijl de strijders hun eigen vrouwen en kinderen op motorfietsen vervoerden. Daarna brachten vrachtwagens hen tot in het Sambisawoud.

De omstandigheden in het bos deden Panna terugverlangen naar Gwoza, waar ze met zijn dertigen een kamer moesten delen. Ze sliepen op matten in de openlucht en werden overdag onder de bomen gejaagd zodat overvliegende vliegtuigen hen niet zouden ontdekken. Water mochten ze om die reden alleen ‘s nachts halen in de beek, en genoeg was er nooit. De jurk die Panna droeg, haar enige kledingstuk, stond stijf van het vuil.

In het bos maakte Panna voor het eerst mee dat strijders vrouwen lastigvielen. Op een middag namen ze zes jonge vrouwen uit haar groep apart en kondigden aan dat ze met hen gingen trouwen. Zover kwam het niet: de volgende dag werden ze bevrijd.

Bloedige bevrijding

Iedere nacht heeft ze angstdromen over die bevrijding. Van alle kanten kwam het gevaar: helikopters boven hun hoofden, mitrailleurvuur van opzij, vliegtuigen die bommen lieten vallen.

Hun bewakers gingen er vandoor toen een tank van het Nigeriaanse leger het terrein op kwam gereden. De chauffeur dacht kennelijk dat de overgeblevenen ook Boko Haram waren, zegt Panna, want hij reed regelrecht op de groep in: 22 vrouwen en kinderen werden vermorzeld onder de rupsbanden voordat het voertuig stopte, vertelt zij en vertellen ook andere vrouwen. „We riepen: Vrouwen en kinderen! Vrouwen en kinderen!” Ter illustratie zwaait ze met haar armen. „De soldaten huilden toen ze uit de tank klommen en zagen wat ze hadden aangericht.”

Toen de militairen beseften om wie het ging, belden ze de dichtstbijzijnde legerpost die trucks stuurde om de groep op te halen. Een deel van hen werd uiteindelijk naar Yola gebracht.

Hier kan Panna weer nadenken over de toekomst. Ze hoorde gisteren dat haar man nog in leven is. Hij had zoals de meeste mannen meteen de benen genomen bij het eerste sein van gevaar. Het gevaar is voor hen nog acuter dan voor vrouwen. Zodra de terroristen van Boko Haram mannen ontwaren die eruit zien alsof ze een wapen kunnen vasthouden, schieten ze ze neer of ronselen ze voor de strijd. Maar haar echtgenoot wist te ontkomen met hun zeven andere kinderen.

Panna hoorde dat hij al is teruggekeerd naar Gumsari, hun inmiddels bevrijde dorp, waar de mensen zijn begonnen met de wederopbouw. Ze zou hem het liefst zo snel mogelijk volgen: „Ik ben zijn eerste vrouw en we trouwden uit liefde.” Dat was wel anders bij zijn tweede vrouw, een geschenk dat hij niet weigeren kon van een vader die hij ergens mee had geholpen. Van deze vrouw is hij weer gescheiden.

Panna is niets aangedaan door Boko Haram, en haar echtgenoot heeft haar lief, dus ze weet dat hij haar bij terugkomst zal accepteren. Hoe zal dat zijn voor de vrouwen die werden gedwongen te trouwen met soms wel vier, vijf strijders? „Ik ken er twee van. Hun mannen waren al vermoord. Ik hoop dat hun familie zal begrijpen dat ze het niet uit vrije wil deden.”

Of de kinderen die groeien in hun buik, waar geen van hen over praat uit schaamte, ook zullen worden geaccepteerd? Panna krast met de kiezelsteen in het zand en haalt haar schouders op.

„Ik vind het moeilijk aan al dat verdriet te denken. Het is zo groot. Ik wil alleen maar naar huis. Couscous koken met kip, zoals mijn man het graag heeft.”

Correcties en aanvullingen

Boko Haram

In Zes maanden oorlogsbuit van Boko Haram (12/5, p. 10) staat dat de geïnterviewde Panna Bukar vijf weken geleden is bevrijd. Dat klopt niet: ze bracht vijf weken door in het oerwoud en werd twee weken geleden bevrijd.