Nederlands zorgstelsel, net een dure planeconomie

Te weinig concurrentie, communicatie en kennis, meent Jim Louisse.

Ons zorgstelsel is een markt met vragers (patiënten, naasten) en aanbieders (medische professionals, ziekenhuizen, verpleeghuizen). Een derde partij opereert zowel aan de vraag- als aan de aanbodkant, de zorgverzekeraars. Zij verkopen verzekeringen aan alle meerderjarigen en zijn tevens ‘makelaar’. Deze complexe markt wordt bewaakt en gereguleerd door de overheid, voornamelijk op het economische aspect. De juridische, ethische, sociale en medische randvoorwaarden staan nauwelijks ter discussie. Er is wél kritiek op de rolverdeling: patiënten en professionals staan grotendeels buitenspel. De rol van patiënten is nu vergelijkbaar met die van leerplichtigen, medische professionals zijn gedegradeerd tot productiemiddelen die inefficiënt gebruikt worden. Zorgverzekeraars, Volksgezondheid, gemeenten en enkele verzelfstandigde diensten hebben de feitelijke macht.

Het systeem lijkt zodoende op een planeconomie: te duur, het rammelt aan alle kanten. Volgens OESO-cijfers zijn de Nederlandse zorgkosten per inwoner de afgelopen tien jaar verdubbeld. De totale uitgaven, als percentage van het bruto nationaal inkomen, zijn ook na de introductie van het stelsel in 2006 veel harder gestegen dan in België, Duitsland en Frankrijk. Terwijl dit nieuwe stelsel de kosten juist zou beheersen. De gezondheidszorg en de welzijnszorg, hoewel verschillende segmenten, vertonen eenzelfde kostenstijging. Ze reageren op verkeerde prikkels: in ziekenhuizen wil men bedden zo kort mogelijk bezetten en het aantal behandelingen opschroeven (want per behandeling betaald), in de langdurige zorg wil men de bedden juist zoveel mogelijk bezet houden (want afrekening naar zorg- en verpleegdagen). Zo werken de prikkels, zo zijn de uitkomsten.

Het falen hangt nauw samen met de organisatie: analyseren we ieders rol, dan blijkt dat het stelsel niet kan werken. De meeste verzekerden hebben geen flauw benul van hun bijdrage. Naast de maandelijkse premie, betaalt elke verzekerde direct via de werkgever belastingpremies. Die bedragen gemiddeld drie tot vier keer de verzekeringspremie. Verzekeraars incasseren uit die belastingpremies een bedrag dat gekoppeld is aan het risicoprofiel van de verzekerde – die dat profiel en het bedrag overigens niet kent.

Zelfde geldt voor het ‘inschrijfgeld’ dat verzekeraars elk kwartaal aan de huisarts betalen. Gemiddeld 75 euro per patiënt per jaar, dus 150.000 euro voor een praktijk met 2.000 patiënten. Dit vaste bedrag, plus het bedrag dat de patiënt zelf betaalt per consult, wordt door de verzekeraars vergoed en gaat niet van het eigen risico af.

Het aantal consulten heeft voor de patiënt geen enkele financiële consequentie. Hij betaalt de rekening meestal niet zelf en weet daardoor niet precies wat het kostte. Zelfs binnen het eigen risico krijgt de patiënt geen goed inzicht, facturen worden meestal zonder medeweten van de patiënt betaald en de verzekeraar incasseert dit vervolgens bij de patiënt. De patiënt wordt daardoor ook nauwelijks bij de beoordeling van de behandeling betrokken. De huisarts kent de patiënt het beste, maar verliest steeds verder terrein aan de zorgverzekeraars. Daarmee verzwakt de positie van de patiënt nog verder. In Nederland zijn veel minder artsen en specialisten per inwoner dan in de ons omringende landen. Het aantal artsen wordt hier bewust in de hand gehouden. Er bestaat zelfs een ‘Capaciteitsorgaan’, dat adviseert over de gewenste aantallen met behulp van een model waar de DDR jaloers op zou zijn geweest. De hoge salarissen van specialisten waren vroeger al een probleem en dat blijft zolang je het aanbod beperkt.

Vanaf 2006 vond in de zorgverzekeringsbranche een ongekende concentratie plaats. Onbegrijpelijk vanuit mededingingsbeleid gezien, maar logisch als je zorgverzekeraars een spilfunctie geeft en ze contracten wilt laten afsluiten. Ziekenhuizen fuseerden om tegenwicht te bieden, huisartsenposten verenigen zich. Er is niet alleen onvoldoende concurrentie onder verzekeraars, maar ook onvoldoende kennis over patiënten en zorgaanbieders. Communicatie naar burgers schiet tekort.

Wordt er iemand beter van dit proces van concentratie, contracteren, ondoorzichtige financiering en alle bureaucratie die daarmee gepaard gaat? Ja, een omvangrijke tussenlaag die alleen maar extra kosten oplevert: juristen, accountants, financiële experts, belastingadviseurs, toezichthouders, bestuurders en lobbyisten. De kosten van beleids- en beheersorganisaties bedroegen in 2010 ruim 21 procent van de totale zorguitgaven. Ondanks hun berg data is het ze niet gelukt de kostenontwikkeling in de zorg inzichtelijk te maken.

Wil het geheel weer functioneel, dan moeten de private zorgverzekeraars zich allereerst beperken tot inschatting en dekking van risico’s en zich niet bemoeien met zorgtaken die ze niet kunnen overzien. Laat ze een normaal ondernemersrisico lopen: door zelf premies te innen en stop met compensatiemogelijkheden achteraf. Geef patiënt en huisarts een belangrijker rol. Maak de financiering eenvoudiger, behandelkosten inzichtelijk. Laat patiënten zelf hun zorg kiezen en beoordelen, betrek ze bij het betalen van rekeningen. Voor professionals en zorginstellingen is het zaak de tijd aan bureaucratie tot een minimum te beperken. Geef ze meer onderhandelingsmacht. Een kwestie van gezond verstand!