Misschien had ik me wel een dag vergist

Vandaag is het vijf jaar geleden dat in Tripoli een vliegtuig neerstortte. Marieke Poelmann verloor daarbij haar ouders en schreef er een boek over. Voor nrc.next interviewt ze lotgenoten. Deze week: Maryam Massarrat die tijdens haar vakantie hoorde dat haar vader in datzelfde vliegtuig zat.

Het is vandaag 12 mei. Precies vijf jaar na de vliegramp in Tripoli waarbij 103 inzittenden om het leven kwamen. Zeventig van hen waren Nederlanders, die op de terugweg waren van hun vakantie in Zuid-Afrika. Eén van hen was de vader van Maryam Massarrat (35). We ontmoeten elkaar in Amsterdam en praten over het eerste moment waarop je hoort dat het vliegtuig is neergestort.

Een van de eerste dingen die mensen mij vragen, is hoe ik vijf jaar geleden over het ongeluk hoorde. Wat gebeurde er die dag bij jou?

„Op 12 mei 2010 was ik met mijn zusje op vakantie bij mijn oma in Iran. Ik zou een nacht alleen gaan logeren bij mijn oom. Om 23.00 uur ’s avonds kwam ik daar aan, maar verder dan de tuin ben ik niet gekomen. Mijn familie stond mij buiten op te wachten. ‘Waarom gaan we niet naar binnen?’ vroeg ik. Ze hielden me tegen. Niet echt een hartelijke ontvangst, dacht ik nog. ‘We moeten je iets vertellen, er is iets ergs gebeurd’, zei mijn oom. Ik vroeg of het mijn moeder was, of mijn zusje. ‘Is het papa?’ vroeg ik uiteindelijk. ‘Is zijn vliegtuig neergestort?’ Ik wist dat mijn vader die dag terug zou komen van zijn vakantie in Zuid-Afrika. Toen mijn oom ja zei, werd ik duizelig. Ik voelde een bepaalde stilte in mijn hoofd, alles ging langs me heen. Ik hield me vast aan het eerste dat binnen handbereik was, een geparkeerde auto bedolven onder het stof. Ik moest me ergens aan vasthouden. We keerden direct om, terug naar mijn oma en mijn zusje. Mijn familie had diezelfde nacht nog een vlucht terug naar Nederland voor ons geboekt.

Ze hebben het mij zo laat mogelijk verteld, net op tijd om het vliegtuig te halen.”

Was je op dat moment niet heel bang om te vliegen?

„Nee, tot aan de luchthaven van Teheran voelde ik mij totaal verdoofd. Ik bleef tegen mijn zusje zeggen dat het misschien wel helemaal niet waar was. In mijn agenda had ik mijn vaders terugkomst genoteerd, maar misschien had ik me wel een dag vergist. Eenmaal op het vliegveld besefte ik ineens dat mijn vader een paar uur geleden nog net zoals wij met zijn instapkaart in de rij had gestaan. Uit het niets begon ik hysterisch te huilen, maar tijdens de vlucht werd ik kalm en ben ik geen moment bang geweest. We moesten naar huis, naar mijn moeder en mijn broertje, dat was het enige waar ik aan kon denken. Toen we de straat inreden werd ik pas bang. Ik kreeg buikpijn en wilde niet meer, ik wist dat er thuis iets op ons wachtte dat niet waar mocht zijn. Mijn moeder stond in de deuropening. Haar ogen waren helder en haar huid was glad van het huilen. ‘Mama, wat ben je mooi geworden’, zei ik. Ze was in het zwart gekleed, net als mijn broertje. Dat maakte me ook boos: ‘Waarom zijn jullie er al zo snel van overtuigd dat papa dood is?’ Pas op de begrafenis was ik er zelf aan toe om zwart te dragen.”

Op 13 mei was je weer in Nederland en ging je meteen door naar de nabestaandenbijeenkomst in Hoofddorp, waar wij elkaar hebben ontmoet. Ik vroeg me af wat ik daar deed, waar ik in terecht was gekomen. Vond je het niet bevreemdend?

„Ik denk dat daar voor iedereen het besef kwam dat er iets heel groots was gebeurd. Ik had zelf nog niet eens het nieuws gezien en had nog geen beeld bij de ramp. Pas in Hoofddorp besefte ik dat we niet de enigen waren. Hele families waren weg, wat wij meemaakten was daarbij vergeleken nog niets, vond ik. Na die bijeenkomst begon alles te lopen: we kregen twee familierechercheurs toegewezen en ik zag voor het eerst de passagierslijst. Mijn vaders naam stond er echt op. Vanaf dat moment maakte ik dingen mee die ik nog nooit had meegemaakt, er was geen ontkomen meer aan.”

De vondst van de lichamen en het identificatieproces vond ik het allermoeilijkst. Hoe is dat bij jullie verlopen?

„Het was belangrijk om mijn vader zo gedetailleerd mogelijk te beschrijven aan de familierechercheurs. Ineens moesten we bedenken wat mijn vader aangehad zou kunnen hebben. Mijn vader was ooit geopereerd aan zijn schouder en zijn knie, hij had daar littekens. Dat waren aanknopingspunten in de identificatie. Ruim drie weken later was hij terug in Nederland. We vroegen in welke staat zijn lichaam verkeerde, we wilden afscheid van hem nemen. Ik wilde zelf zien of hij het wel was, misschien klopte het toch niet. Mijn moeder, mijn broertje, mijn zusje en ik zouden samen gaan kijken maar eenmaal op het mortuarium van Schiphol durfden we niet meer. Ergens schaamden we ons daarvoor, hoe kun je nu bang zijn voor iemand die je hele leven bij je is geweest? Het was onze laatste kans om hem te zien maar we twijfelden enorm. Uiteindelijk zou een medewerker eerst gaan kijken en als het in orde was, zouden wij volgen. De kist was in Libië verzegeld, met spijkers en lijm. In de wachtruimte hoorde ik hoe de kist met een boormachine geopend moest worden. We hebben mijn vader niet meer gezien, het werd ons afgeraden. Het moment waarop we de kist zagen was het allerzwaarst, ineens was het tastbaar. Op 5 juni hebben we mijn vader begraven, toevallig de dag dat zijn rijbewijs afliep.”

Soms kan ik nog steeds voor het graf van mijn ouders staan en denken dat het niet waar is. Hun namen staan op de steen, maar ik moet maar geloven dat ze er echt liggen. Wij kregen een camera met een afgebroken lens terug en een halfverbrande portemonnee, maar ook de bril van mijn moeder, compleet ongeschonden. Dat vond ik heel onbegrijpelijk.

„Bij mij hield het ongeloof tot na de begrafenis aan. Nog steeds wilde ik dat het niet waar was. Ik hoopte dat hij nog ergens in Zuid-Afrika rondliep, dat hij was gebleven om het WK mee te maken. Op het moment dat we mijn vaders paspoort en portemonnee terugkregen, wist ik pas zeker dat hij echt aan boord van het vliegtuig had gezeten. Het paspoort was nog helemaal heel en in zijn portemonnee zaten nog eurobiljetten en Zuid-Afrikaans geld. Nergens was aan te zien dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Hoe het kan dat zo’n levenloos voorwerp heel blijft maar zo’n sterke man het niet overleeft, heb ik mij heel vaak afgevraagd.”

Anders dan bij mij leeft jouw moeder nog wel. Ik heb mijzelf soms geprobeerd te troosten met de gedachte dat mijn ouders elkaar niet hebben hoeven missen. Voor jou lijkt het mij moeilijk om het verdriet van je moeder te zien. Is jouw relatie met je moeder veranderd?

„Ik ben de momenten samen met mijn moeder meer gaan koesteren maar maak me nu wel meer zorgen om haar. Het is moeilijk om te zien hoe mijn moeder mijn vader mist. Een jaar na de ramp, vlak voor de herdenking op 12 mei 2011, was mijn moeder boven haar haar aan het föhnen. Ineens hoorde ik haar huilen. Ik ging naar haar toe om te vragen wat er aan de hand was. Met in haar ene hand de föhn en in haar andere hand de borstel vertelde ze dat ze exact een jaar geleden er precies zo bij zat. Ze wilde zich mooi maken voor de terugkomst van mijn vader. Ze had de lakens verschoond en appeltaart gebakken. Midden in de voorbereidingen hoorde ze het nieuws, helemaal alleen. Ze is naar boven gerend om de vluchtgegevens erbij te pakken en toen wist ze het zeker. Een jaar later zat ze daar weer, zonder hem. Op dat moment drong het tot me door hoe groot haar pijn moet zijn.”

Het is 12 mei vandaag. Voor jou kreeg die datum vorig jaar ook een andere betekenis.

„Vorig jaar was ik zwanger van mijn eerste kindje. Ik had zelf al uitgerekend dat het ergens in mei geboren zou worden. Bij de eerste echo werden er foto’s uitgeprint met daarop de datum waarop mijn zoon geboren zou moeten worden: 12 mei. Uitgerekend op 12 mei, ineens hield ik die datum in mijn handen. Twee maanden later hoorde ik dat het ook nog een jongetje was. Uiteindelijk werd hij niet op 12 mei maar op 14 mei geboren. Daar ben ik blij om: die datum moet in het teken van Tripoli blijven staan. Voor mijn zoon zou het ook niet leuk zijn als wij verdrietig zouden zijn op zijn verjaardag. De bevalling begon wel op 12 mei, ik was op de herdenking en tijdens het lied ‘Hallelujah’ begonnen de weeën. Pas twee dagen later werd Jonathan Mehdi geboren. Ik wilde mijn zoon naar mijn vader vernoemen. Jonathan betekent ‘door God gegeven’, maar ik zie hem als een geschenk van mijn vader.”