Maak nooit biodiesel in de tropen

Biobrandstoffen verlagen de uitstoot van broeikasgassen in de tropen pas na decennia.

Een lading suikerriet wordt bij een Braziliaanse fabriek uitgeladen. Later wordt het suikerriet verwerkt tot ethanol. Brazilië is wereldwijd, na de VS, de grootste producent van biobrandstoffen.
Een lading suikerriet wordt bij een Braziliaanse fabriek uitgeladen. Later wordt het suikerriet verwerkt tot ethanol. Brazilië is wereldwijd, na de VS, de grootste producent van biobrandstoffen. Foto Paulo Fridman / Bloomberg

De slechtste plek op aarde om gewassen voor biobrandstoffen te verbouwen zijn de tropen. Daar duurt het decennia, soms zelfs ruim honderd jaar, voordat de uitstoot van broeikasgassen gunstiger wordt, vergeleken met het verbruik van fossiele brandstoffen.

Dat is de conclusie van een onderzoek dat gisteren is gepubliceerd in Nature Climate Change. Eerste auteur is Pieter Elshout van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Volgens hem is het de eerste keer dat wereldwijd de beste locatie is bepaald om gewassen voor biobrandstoffen te verbouwen. Gezien zijn studie vindt hij het wrang dat juist Brazilië en Indonesië grote producenten van biobrandstoffen zijn. „Klimaat is hier duidelijk niet prioriteit nummer één.”

De onderzoekers analyseerden de zogeheten payback time. Eerst wordt gekeken hoeveel broeikasgassen worden uitgestoten bij gebruik van een bepaalde hoeveelheid fossiele brandstoffen. En dan hoeveel broeikasgassen het oplevert als in plaats daarvan biobrandstoffen worden gebruikt. Bij het verbouwen daarvan komt in het begin veel CO2 vrij, doordat (meestal) bos moet worden omgezet in landbouwgrond. De tijd die het duurt tot biobrandstoffen minder CO2-uitstoot veroorzaken dan fossiele brandstoffen wordt de payback time genoemd.

De onderzoekers analyseerden suikerriet, mais, wintertarwe, soja en koolzaad. De eerste drie worden gebruikt voor de productie van ethanol (dat met benzine kan worden vermengd); de laatste twee zijn bron van diesel. Verder werden op verschillende locaties verschillende landbouwmethoden met elkaar vergeleken: mét hoge input van kunstmest en irrigatie, of (bijna) zonder die input. De studie leunt sterk op computermodellen en simulaties.

In de tropen komt de payback time gemiddeld op 50 jaar uit. In gematigde gebieden is het 20 jaar als het oorspronkelijke gebied uit loofbos bestond en 19 jaar in het geval van naaldbos. Voor naaldbossen op hogere breedtegraden (de taiga) pakt het nog veel gunstiger uit: 6 jaar.

Dat de situatie voor de tropen zo ongunstig is, heeft er volgens Elshout mee te maken dat niet alleen bij het kappen en verbranden van regenwoud veel CO2 vrijkomt. De bodems geven in de jaren daarna, als er al gewassen op worden verbouwd, ook nog extra veel broeikasgassen af, zeker in tropische veengebieden. „Bij het omploegen komt organisch materiaal boven dat van oudsher in de bodem zit en dat wordt omgezet in CO2”, zegt hij.

Opvallend is dat intensief gebruik van kunstmest en irrigatie gunstiger uitpakt dan zeer beperkt gebruik ervan. De productie van kunstmest is immers zeer energie-intensief; er komt veel CO2 bij vrij. Maar de oogst blijkt er zoveel door te verbeteren, dat hierbij minder bos hoeft te worden omgezet in landbouwgrond.

In een reactie noemt Martin Junginger, universitair hoofddocent bio-energiehandel aan de Universiteit Utrecht, het „goed” dat de payback time nu een keer mondiaal is vastgesteld voor deze vijf gewassen. Maar hij ziet weinig nieuws in het onderzoek. „Het was allemaal al uit deelstudies bekend”, zegt hij. Verder vallen hem de vele onzekerheden in de studie op. Zo doen de gebruikte computermodellen aannames voor de hoeveelheid koolstof die in bodems is opgeslagen. „Maar de onzekerheden zijn hier erg groot”, zegt Junginger.

In hun publicatie stippen de onderzoekers die onzekerheden ook aan. Zo zijn de gegevens over de uitstoot van broeikasgassen bij het verbouwen en verwerken van gewassen voor biobrandstoffen gebaseerd op studies in een beperkt aantal landen. „Naarmate er meer studies komen, zijn de modellen te verfijnen”, zegt Elshout. Hij wil ook de mate van verandering van de soortenrijkdom aan planten en dieren bij het onderzoek gaan betrekken.