En toen was de Raad van State stil

Bijna had de Raad van State gisteren geoordeeld of het kabinet voorwaarden mag stellen aan de opvang van uitgeprocedeerden. Maar toen gebeurde er iets geks.

Een rechterlijke uitspraak over bed-bad-brood kan het coalitieakkoord teniet doen. Foto Martijn Beekman / ANP
Een rechterlijke uitspraak over bed-bad-brood kan het coalitieakkoord teniet doen. Foto Martijn Beekman / ANP

Deze rechtszaak kon het moeizaam gesloten coalitieakkoord over bed-bad-brood maken of breken. Tenminste, zo zag het kabinet de zaak die de hoogste bestuursrechter, de Raad van State, gisteren behandelde over de opvang van zes uitgeprocedeerde asielzoekers. Centraal stond de vraag of staatssecretaris Dijkhoff (Asiel, VVD) voorwaarden mag stellen aan de opvang van uitgeprocedeerden, zoals medewerking aan hun vertrek.

Maar de zaak die volgens het kabinet tot een „richtinggevende” uitspraak zou leiden, werd gisteren ter zitting ingetrokken door de advocaat van de asielzoekers, Pim Fischer. Daardoor moet het kabinet langer wachten op een rechterlijke uitspraak over dit onderwerp, die het coalitieakkoord teniet kan doen.

Fischer had namelijk niet alleen geprocedeerd tegen de staatssecretaris, maar ook tegen de gemeente Amsterdam. En in die andere zaak werd hij afgelopen vrijdag al in het gelijk gesteld: de rechtbank Amsterdam bepaalde dat zijn cliënten recht hebben op opvang van de gemeente. Hierdoor had Fischer de zaak tegen de staatssecretaris niet meer nodig.

Maar Dijkhoff wilde wel graag een uitspraak van de Raad van State. Voor het kabinet is het belangrijk om te weten hoe Nederlandse rechters omgaan met een uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR), onderdeel van de Raad van Europa, die in november openbaar werd.

De uitspraak van het ECSR was ongunstig voor het kabinet: ook illegalen die het land moeten verlaten, hebben volgens dit comité op grond van Europese verdragen recht op minimale voorzieningen.

Maar de uitspraak die de 47 ministers van Buitenlandse Zaken van diezelfde Raad van Europa vervolgens over dit oordeel formuleerden, was voor meerdere interpretaties vatbaar. Zo ontstonden er spanningen tussen coalitiepartijen PvdA, die naar aanleiding van de ECSR-uitspraak opvang wilde bieden, en de VVD, die in de uitspraak van de ministers las dat het Nederlandse beleid niet veranderd hoeft te worden. Er kwam een compromis: wel opvang, maar voor „een beperkt aantal weken”, en slechts in zes gemeenten.

Nu is de vraag hoe Nederlandse rechters omgaan met de uitspraak van het ECSR. De rechtbank Amsterdam volgde die lijn in ieder geval wel, in haar vonnis van afgelopen vrijdag, waarin de de cliënten van Fischer in het gelijk werden gesteld. De rechtbank verwijst daarin naar de „gezaghebbende uitspraak” van het ECSR, die weliswaar niet juridisch bindend is, maar wel belangrijk voor de „interpretatie” van „verdragsbepalingen”.

Een uitspraak van een hogere rechter wordt ook op korte termijn verwacht. De Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter op het gebied van sociale zekerheid, oordeelt waarschijnlijk binnenkort in een vergelijkbare zaak tegen de gemeente Amsterdam. Als die bepaalt dat gemeenten geen voorwaarden mogen verbinden aan opvang, betekent het dat het het moeizaam gesloten coalitieakkoord in de prullenbak belandt.