De mond vol over excellentie, maar niet durven kiezen

Brede universiteit, selectie of differentiatie. Alle drie kan niet, meent René Koekkoek.

Vorig jaar bezocht ik de befaamde Universiteit van Chicago. Ik vroeg een collega naar zijn ervaringen met studenten. „I hate to say it”, zei hij, „maar ze zijn extreem gemotiveerd, supersmart en werken hard”. Chicago kent een toelatingspercentage van 8,4 procent. Collegegeld: zo’n 50.000 dollar per jaar. Geen wonder dat ze hard werken.

In Nederland gruwelen we van dit soort ‘Amerikaanse’ toestanden en de re-aristocratisering van de samenleving. Maar er wordt daar wel geweldig onderzoek gedaan, aan de top is het er goed toeven. Als we dit Amerikaanse model niet willen, wat dan wel? De Maagdenhuisbezetting ontketende de vraag wat voor universiteit we eigenlijk wel willen. Onder de oppervlakte borrelde de onvrede al jaren.

In de kern vervult de universiteit vier taken: onderzoek, onderwijs, het toegankelijk en beschikbaar maken van wetenschappelijke kennis voor de samenleving en de vorming van kritische burgers. Nederlandse universiteiten werden de afgelopen decennia geconfronteerd met een enorme toestroom aan studenten, bijna een verdubbeling ten opzichte van 1998. ‘Massa-universiteit’, wordt er soms geschamperd. Maar dat doet geen recht aan het emancipatorische belang. Brede lagen van de bevolking konden zich op werken. Een dergelijke universitair model is ook diep verankerd in de Nederlandse egalitaire traditie.

Echter, het totaal aantal docenten is ten opzichte van de dubbele hoeveelheid studenten bijna gelijk gebleven. Je kunt dan niet verwachten dat er geen kwaliteitsverlies optreedt. Dat tart alle logica. Nu kun je zeggen, dat is een keuze. Dat nemen we voor lief. Maar daar wringt de schoen. Zowel het ministerie van Onderwijs als de Centrale Raden van Bestuur van nagenoeg alle Nederlandse universiteiten benadrukken voortdurend dat alle universiteiten ‘excellent’ moeten zijn. Er worden zelfs landelijke prestatieafspraken over ‘kwaliteit’ gemaakt. Het zijn holle frasen. De realiteit is hoge werkdruk, verschoolsing, efficiencytargets en kwaliteitsverlies. De idealen staan daardoor onder druk.

Wat te doen in een in een situatie waarin de overheid beperkte middelen ter beschikking stelt, alle universiteiten excellent moeten presteren en zo efficiënt mogelijk enorme hoeveelheden studenten met een diploma moeten afleveren? In de eerste plaats, onder ogen zien dat hier politieke keuzes gemaakt moeten worden. Ons universitaire landschap zal altijd kampen met financiële schaarste. De belangrijke morele en politieke vraag is hoe je de schaarse middelen wilt verdelen. Inzetten op brede universiteiten, meer selectie, of wellicht meer differentiatie in het universitaire landschap?

Niemand wil collegegelden van 50.000 euro en universiteiten die alleen toegankelijk zijn voor de elite. Maar op dit moment wordt er in Nederland helemaal geen keuze gemaakt en willen we alles tegelijk. Daar zijn zowel student als docent de dupe van. Dat is geen Amsterdams probleem, dat is een nationaal vraagstuk.