Opinie

De bodem valt vanzelf onder de euro weg

Nee hoor, daar kunnen wij in Nederland niks aan doen. De uitvoer van Nederlandse goederen en kapitaal is al jaren veel hoger dan de invoer. Daardoor ontstaat een overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Dat levert het kabinet steeds meer kritiek op uit het buitenland.

Maar hé, dat overschot is niet onze schuld. ’t Is de schuld van het grootkapitaal. Zeggen twee onderzoekers van het Centraal Planbureau (CPB) in een recent beleidsdocument. ’t Is de schuld van de multinationals die hier graag zitten en zoveel exporteren. En de schuld van ‘onze’ pensioenfondsen die zoveel buiten Nederland beleggen.

Dus politici in Griekenland, Spanje en Portugal én de Europese Commissie kunnen wel zeggen dat wij, net als de Duitsers, meer moeten consumeren en invoeren. Want dat onze invoer hún uitvoer is. En dat groei van hún uitvoer juist de economische groei bevordert. En dat die groei bijdraagt aan een stabiele eurozone. En dat dat ook ons belang is. Maar helaas. Wij kunnen er niks aan doen.

Ondertussen is ons overschot op de betalingsbalans niet van vandaag of gisteren. Het is structureel. Een hoeksteen van de economische politiek. Sinds 1945.

Maar van tijd tot tijd ontstaat internationaal gemor over dit zelfzuchtige beleid. Gemor om Nederland. Om Duitsland.

De continuïteit van de overschotten is indrukwekkend. Gaat u met mij veertig jaar terug in de tijd. Onder auspiciën van de club van industrielanden, de OESO, probeerde een commissie van deskundigen oplossingen te vinden voor de schokken van toen. Schokken in het internationale geldsysteem en in de wisselkoersen. Die ontstonden doordat de VS doorlopend tekorten had op zijn betalingsbalans en Duitsland en Japan juist overschotten boekten. De verliezers van de oorlog waren de winnaars van de exporteconomie.

In de OESO-commissie zaten afgevaardigden van alle economische grootmachten. Na bijna twee jaar studeren kwam men, onder leiding van de Amerikaan Paul McCracken, in juni 1977 met het ruim 260 pagina’s tellende rapport Towards full employment and price stability. Op weg naar volledige werkgelegenheid en prijsstabiliteit.

Een jaar later was het rapport de hoofdmoot van een topontmoeting van de grootste westerse industrielanden (G7) in Bonn, toen de hoofdstad van West-Duitsland. Daar beloofden Duitsland en Japan dat zij met de stimulering van hun binnenlandse economie hun overschotten met het buitenland zouden reduceren. Op hun beurt beloofden de Verenigde Staten hun energiebeleid te liberaliseren. Verder deed iedereen zijn best om handelsbeperkingen af te breken. Een jaar later volgden een nieuwe olieprijssprong, een diepe economische recessie en een terugkeer naar een beproefd recept: alles op alles zetten voor meer uitvoer.

Terug naar hier en nu. De overeenkomsten met 1977 stapelen zich op. De schokken? Lees Eurocrisis en Grieks bankroet. De afbraak van handelsbeperkingen? Lees het trans-Atlantische vrijhandelsverdrag TTIP. Onevenwichtigheden? Lees de exporteconomie van Duitsland en Nederland versus malaise in Zuid-Europa.

Kunnen we iets doen? Nee, zegt het CPB, dat kan alleen met andere Europese landen. Maar juist die gezamenlijkheid is het probleem. De euro en de Europese vrijhandel zijn bij uitstek extra brandstof voor de Duits-Nederlandse exportmachines, suggereert het CPB. De Duits-Nederlandse overschotten worden sinds 2000 allen maar groter.

Succes voor ons, maar een groeiend schisma op Europese schaal. Zij tegen wij. Als het profijt van de euro en de vrijhandel zo oneerlijk zijn verdeeld, valt de politieke bodem straks vanzelf onder de eurozone weg.