Dankzij ‘yupp’ is stad weer magneet

Steeds meer studenten bevolken de steden, en gezinnen trekken niet weg. Voor de groeikern is dat slecht nieuws.

Steeds meer jonge mensen trekken naar een drukke stad, blijven er wonen als ze een partner hebben en ook als ze kinderen krijgen. Dat blijkt uit een groot onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving, dat vandaag verschijnt.

Jarenlang maakten beleidsmakers zich zorgen over de toekomst van de grote steden, die vooral in de jaren zeventig en tachtig veel jonge mensen aantrokken maar waaruit nog veel meer mensen vertrokken naar omliggende gemeenten. Vooral naar zogeheten groeikernen als Almere en Zoetermeer, Spijkenisse en Nieuwegein.

Die trend is zo’n vijftien jaar geleden gekeerd. De steden groeien, en het zijn de omliggende gemeenten en de groeikernen die vergrijzen en zelfs krimpen. „Er heeft zich een grote omslag voorgedaan”, zeggen Dorien Manting en Frank van Dam, onderzoekers van het Planbureau.

De groeikernen zullen zich opnieuw moeten uitvinden nu gezinnen niet meer vanzelf komen. Van Dam: „Ze moeten zich afvragen: wat kunnen wij bieden als tegenwicht tegen de groei van de stad?” Sommige groeikernen kunnen zich wellicht ontwikkelen als satellieten van de grote stad, met goede weg- en spoorverbindingen. Andere kunnen misschien bewoners trekken met grote huizen voor weinig geld, en zich richten op voorzieningen voor ouderen.

Het zou voorbarig zijn te spreken van een „triomf van de stad”, want de geschiedenis leert dat steden altijd perioden van groei en krimp kennen. En nog steeds wonen er in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag minder mensen dan in de jaren zestig en zeventig. Vanaf toen werden in de nabijheid van grote steden groeikernen aangewezen. Maar van een wederopstanding mag je toch wel spreken. Het nieuwe parool, de compacte stad, heeft zijn uitwerking niet gemist. Jonge singles, jonge stellen en vooral hoogopgeleide gezinnen hebben een veel sterkere voorkeur voor wonen in een drukke stad dan voorheen, zo blijkt uit het onderzoek.

Frank van Dam: „De steden zijn aantrekkelijker geworden. Veiliger. Schoner. Mooier. Er zijn veel voorzieningen. Voor partners is het gemakkelijk beiden in de stad te werken én de zorg voor kinderen te combineren.” Zij hebben liever een baan en crèche op fietsafstand dan hun schaarse tijd te verdoen met files en treinvertragingen.

„De yuppies van de jaren negentig zijn yupps geworden: de young urban professional parents ook wel bekend als de stedelijke bakfietspapa’s en -mama’s van vandaag die de zorg voor kinderen combineren met het maken van carrière”, aldus het rapport, gemaakt samen met de UvA en diverse gemeenten en provincies.

Dat de steden groeien, danken ze niet alleen aan zichzelf. Er zijn ook simpelweg meer jongeren gaan studeren aan het hoger onderwijs dan ooit te voren. En dat deze studenten vervolgens langer in de stad wonen, komt ook doordat ze steeds meer tijd hebben genomen om een vaste partner te kiezen en kinderen te krijgen. „Vrouwen krijgen gemiddeld op 29-jarige leeftijd een eerste kind; dat is gemiddeld vijf jaar later dan dertig jaar geleden”, aldus het rapport over dit late moederschap. „Bovendien wachten vrouwen die in een stad wonen, nog langer.” Dat jonge gezinnen in de grote stad blijven, is tenslotte ook te danken aan het huizenaanbod; waar je dertig jaar geleden nog de stad moest ontvluchten om een gezinswoning te bemachtigen, daar kun je nu terecht in wijken als IJburg in Amsterdam, Leidscheveen of Ypenburg in Den Haag of Leidsche Rijn in Utrecht.

Nederlanders zijn relatief honkvast, zeker als ze ouder worden. Van Dam: „De ontwikkeling van de steden is vooral afhankelijk van de keuzes die jonge volwassenen maken. Alleen de groep hoogopgeleide jongeren is mobiel. Als je tegen de veertig loopt, houdt het een een beetje op. Je raakt gehecht aan je omgeving.” Manting: „Je besluit in een bepaalde fase van je leven te verhuizen, vanwege kinderen bijvoorbeeld, en dertig jaar later constateer je dat je er nog steeds woont. Meestal naar tevredenheid.”