Waarom hebben jullie me hierachtergelaten?

Marieke Poelmann verloor haar ouders bij de vliegramp in Tripoli. Dat is deze week vijf jaar geleden. Ze schreef er een boek over. „Zo krijg ik de controle over mijn leven terug.”

Ze waren nog nooit buiten Europa op vakantie geweest. De ouders van Marieke Poelmann (27) kwamen meestal niet verder dan Duitsland. Eindelijk had het echtpaar uit Zwolle besloten naar Zuid-Afrika te gaan. Het kón ook eindelijk – met de drie kinderen ging het goed, ook met de middelste zoon om wie ze zoveel zorgen hadden gehad. Hij liep hersenschade op nadat hij op zijn elfde was geopereerd aan een hersentumor.

Ze hadden de vakantie van hun leven. Maar ze kwamen niet terug.

Bij de tussenstop ging het mis: de daling werd te vroeg ingezet, de piloot negeerde de waarschuwing van de copiloot. Toen de hij zijn fout inzag, was het te laat. Het was 6.01 uur toen ze de Airbus A330 de grond in boorden, op maar 900 meter van de landingsbaan in Tripoli. Van de 104 inzittenden overleefde alleen een jongen van 9 de ramp. Marieke Poelmann lag te slapen toen ze wees werd.

Dinsdag is het vijf jaar geleden dat vlucht 771 van Afriqiah Airways neerstortte. Hoe is het om ineens onderdeel te worden van een nationale ramp? Wat voor invloed heeft zo’n ongeluk op je leven? Poelmann schreef haar ervaringen op in Alles om jullie heen is er nog, dat deze week verscheen bij De Bezige Bij.

Ze vertelt over het ongeluk in haar woning in de Amsterdamse Westerparkbuurt. Die staat vol spullen uit haar ouderlijk huis. Als ze harder praat, hoor je de snaren van de notenhouten Steinway meetrillen. De piano van haar moeder.

Praten over het ongeluk kost haar nu minder moeite dan voordat ze het boek schreef. Toch blijft het lastig. „Ik probeerde het moment dat ik het moest vertellen altijd uit te stellen”, zegt ze. „Nu is het eerder dat ik er niet over begin om andere mensen te sparen: je zet zo de toon met zo’n onderwerp, mensen weten niet hoe ze moeten reageren. Vooral als je nieuwe mensen ontmoet, vraag ik me af: wanneer fietsen we dat vliegtuig erin?”

Ze weet niet eens waar Tripoli ligt als ze die ochtend door haar broer wordt opgebeld. „Weet je het zeker?”, vraagt ze hem. Ze gelooft het niet. Haar vader had de vluchtgegevens wel doorgestuurd, maar ze had het mailtje niet geopend. „Dit kan niet.”

Even later ziet ze de brokstukken op tv. Het is onwaarschijnlijk dat er overlevenden zijn, klinkt het. Dit wordt een raar verhaal om straks te vertellen aan haar ouders, denkt ze: dat ze voor dood werden gehouden. Dat ze even dachten dat ze er niet meer waren.

Poelmann en haar broers bellen alles en iedereen op: het reisbureau, de vliegmaatschappij, Buitenlandse Zaken, dat hen amper informatie kan verstrekken. Meteen lichten ze de familie in. Zouden ze misschien toch niet zijn ingestapt? En gewoon geen contact opnemen? Ze belt haar vader, die niet opneemt. Ze luistert de voicemail af om zijn stem te horen.

Diezelfde avond krijgt ze de bevestiging dat ze zijn ingestapt. Maar het duurt nog een tijd voor de lichamen zijn geïdentificeerd. Ongeveer twee weken na de ramp >> >> hebben de familierechercheurs nieuws. „Jullie moeder is gevonden”, zegt één van hen. „Maar ze is wel verbrand.”

Ze is 22 op de dag van het ongeluk. Net klaar met haar bachelor mediawetenschappen. Daarna begint ze aan een master journalistiek. Voor haar studiegenoten probeert ze de ramp verborgen te houden. Dat lukt, tot het tijdens een college over vliegrampen en sensatie gaat. Ze stormt het lokaal uit. Haar docent, haar klasgenoten hebben geen idee. „Het was nog zo vers. Doordat ik het probeerde weg te stoppen, bleef het me juist achtervolgen. Op zo’n moment voelde ik me betrapt: ze hebben me door.”

Is dat waarom je dit boek hebt geschreven? Zodat je het niet telkens hoeft uit te leggen?

„Ik ben gaan schrijven omdat ik de controle over mijn leven terug wilde krijgen. Ik vertrouwde het leven niet meer en vond het oneerlijk dat mijn ouders mij waren afgenomen. Het punt was: als ik stage liep of ergens op een redactie zat, stortte er altijd wel ergens een vliegtuig neer. Dan vluchtte ik en sloot ik mezelf op in een hokje. Ik wist: dit blijft zo tot ik er iets mee doe. Ik wilde graag als journalist verhalen vertellen, maar ik had zelf een te groot verhaal om me met die van anderen bezig te houden. Het motto van mijn boek is een citaat van de schrijver Marcelo Figueras: altijd als iemand zijn verhaal vertelt, eigent hij zich zijn leven weer toe. Dat is de meest treffende verwoording. Daarnaast is het een monument voor mijn ouders. En ik hoop dat andere mensen er iets aan hebben.”

Dan staat ze op. „Wil je het zien? Of vind je het heel naar?” Ze bedoelt het kistje met spullen die ze heeft meegenomen van de crashsite. Vijf dagen na de begrafenis van haar ouders vloog ze naar Tripoli.

Ze tilt het van de kast die in haar werkkamer staat en haalt er portemonnees uit, een flight safety card, een zakje zand, de paspoorten van haar ouders, ongeschonden. „Ik wist dat dit het make-uptasje van mijn moeder was. Ze had alleen maar Hema en Lancôme.”

Alle bezittingen die zijn gevonden werden in een digitale gids met meer dan 2.000 pagina’s verzameld („een soort horror-Wehkamp”). Als je als nabestaande iets herkende, kon je het opeisen. Haar ouders zelf heeft ze niet meer gezien. De familierechercheurs en de uitvaartorganisatie zeiden dat dat niet kon. Er zou geen vierkante centimeter herkenbaar zijn, schrijft ze in het boek.

„Ik wilde het ook absoluut niet zien. Er is wel nog een fotoschouw mogelijk. Van alle lichamen zijn foto’s gemaakt, waar je onder psychologische begeleiding naar kunt kijken. Dat gaat in drie stappen: eerst vertellen ze je hoe een lichaam eruit ziet, als je dat aankan, gaan ze het tekenen. Kun je daar tegen, dan laten ze je de foto zien. Het is fijn dat die mogelijkheid er is.”

Wie waren je ouders?

„Mijn moeder was pianiste en basisschoollerares. Ze begeleidde koren in Zwolle. Overdag was ze altijd bij ons, ze was zo’n klassieke moeder die klaar zit met een kopje thee als je uit school komt. Mijn vader was personeelsmanager en met vroegtijdig pensioen. Hij was notulist voor de gemeenteraad, zat in allerlei besturen, en hij zat ook in allerlei koren. Die zongen samen op de begrafenis.”

Had je een goede band met ze?

„De band met mijn ouders was heel goed. Toen ik op mijn achttiende het huis uitging, had mijn vader het er moeilijk mee, maar het lukte hem niet om dat te zeggen. Hij wilde altijd alles samen met mij doen. Hij voelde zich trots als ik met hem ging winkelen en kleren voor hem uitzocht. Soms zie ik in de verte een man lopen en in een flits denk ik dat het mijn vader is. Als ik pianomuziek hoor die mijn moeder speelde, de Première arabesque van Debussy… Dat zijn momenten dat het me kan overvallen.”

Ga je vaak naar het graf?

„Iets van drie of vier keer per jaar. Op hun trouwdag, sterfdag… Andere mensen gaan naar hun ouders toe, ik ga naar een graf toe. Dat is wat het is. En op 12 mei… Ik kan me niet voorstellen dat ik op die dag ooit gewoon naar mijn werk kan gaan.”

Het is de enige keer in het gesprek dat ze zichtbaar emotioneel is. Ze kijkt afwezig. „Maar ik voel het allemaal wel hoor. Dat zie jij misschien niet. De scherpe pijn slijt, maar de pijn sluimert altijd.”

De band met haar familie buiten het gezin-Poelmann is minder goed. Na het ongeluk merkt ze pas hoe moeizaam die relatie is. Al direct na de ramp ontstaat er ruzie, als een broer van haar moeder ook naar het ouderlijk huis komt, terwijl zij al tien jaar geen contact met elkaar hadden. Mariekes oma en tante vinden dat zij te weinig worden betrokken in de begrafenis, ze voelen zich buitengesloten en eisen spullen op. Een tante zoekt direct moeders sieradenkistje op om te kijken of er nog iets van haar tussen zit wat ze lang geleden zou hebben uitgeleend. De kinderen zijn verbijsterd.

Andere reden tot conflict: na het ongeluk is er een herinneringsdienst voor het katholieke paar. De kinderen, niet gelovig en bovendien nog in shock, hebben er geen behoefte aan en komen niet. En: oma wil dat haar dochter en schoonzoon worden begraven op dezelfde begraafplaats als waar haar man ligt. Terwijl Marieke zich herinnert dat haar moeder dat een vreselijke plek vond. De kinderen beslissen om hun ouders elders te begraven.

Marieke en haar oudste broer, die het huis leeghalen en al het regelwerk op zich nemen, worden erop gewezen dat ze niet in de geest van hun ouders handelen. Ook blijkt haar oma niet zo positief over Mariekes vader te denken (ze noemt hem ‘die vent’), en als de familierechercheur zegt dat het hem zwaar lijkt dat zij een dochter moest verliezen, klaagt zij dat ze haar rechterhand kwijt is: ‘Twee keer in >> >> de week kwam ze langs en deed mijn boodschappen. Nu zit ik mooi zonder hulp.’

Zelfs vlak voor de begrafenis wordt er ruziegemaakt. De situatie is zelfs zo erg dat in de kerk twee ruimtes worden ingericht voor de verdeelde familie. „Er bleken veel onderhuidse spanningen te zijn”, zegt ze. „Mijn ouders hebben die altijd met de mantel der liefde bedekt.”

Je hebt gebroken met de familie?

„En zij met mijn broers en mij. Het kon niet anders. Iemand die het boek niet heeft gelezen, zal dat niet begrijpen. Er is geen sprake van dat ik met dit boek iets op het spel zet, want er is niets meer om op het spel te zetten. Ik had het ook liever anders gehad.”

Waarom schrijf je over hen?

„Ik heb geprobeerd ze eruit te laten, maar ik kon dit verhaal niet vertellen zonder hen. Het is geen wraak: ik wilde laten zien dat zo’n gebeurtenis alles op scherp zet, laten zien wat zoiets naar de oppervlakte kan brengen.”

Leeft je oma nog?

„Voor zover ik weet wel. Ik heb haar meer dan drie jaar niet gesproken of gezien. Ze moet nu 99 zijn of zo.”

Hoe zouden zij op dit boek reageren?

„Het zou mooi zijn als ze het zouden lezen en mijn perspectief zien. Maar ik weet het niet – ze zijn gewoon geen deel meer van mijn leven, en dat gaat niet veranderen. Alle namen zijn veranderd, ik heb mijn best gedaan om hun identiteit zo goed mogelijk te beschermen. Bovendien: het is een persoonlijk verslag. Geen journalistiek boek.”

Ze zucht. „Weet je: dit is precies zoiets waar ik graag met mijn ouders over zou praten. Die schakel mis ik.”

Ook het contact met haar beste vriendin verwaterde na de ramp. Ineens liet ze niets meer van zich horen. „Het ongeluk is zo’n groot ding, dat beïnvloedt alle relaties. Sommige mensen mijden je liever. Mensen op wie je denkt te kunnen rekenen, geven niet thuis. Maar er komt ook veel moois vanuit onverwachte hoek. Dat je opeens een lange brief krijgt van een oud klasgenoot, of dat een buurvrouw die je nauwelijks kent ineens met een pan soep voor de deur staat bijvoorbeeld.”

De ramp met de MH17 kreeg veel meer aandacht dan ‘Tripoli’. Ik zou me voor kunnen stellen dat dat vervelend is – minder aandacht voor ‘jouw’ ramp?

„Zo heb ik er nooit over nagedacht. Echt helemaal niet. Het is eerder zo dat mensen bij zo’n gebeurtenis ook weer aan jou denken. Ik kreeg allemaal berichtjes. Het is vreselijk omdat je weet wat die nabestaanden doormaken, en ik wil die mensen helpen. Bovendien: dat was een aanslag, een raket is wel wat anders dan een piloot die een fout maakt. Ik had het veel erger gevonden als het een aanslag was geweest. Dat vreesden we natuurlijk in eerste instantie, dat het een aanslag was.”

Een studiegenote van je zat in de MH17.

„Ik heb haar ouders een brief gestuurd. Bij elke crash voelt het alsof ik er zelf bij betrokken ben. Je voelt je verbonden met de nabestaanden. Op een gegeven moment moet je afstand nemen, anders slokt het je weer op.”

Is het makkelijker om zulk nieuws te verwerken nu je het boek hebt gemaakt?

„Nee. Het blijft even zwaar. Het cliché dat het schrijven van zo’n boek therapeutisch is, gaat volgens mij ook niet op. Ik vond het heel zwaar om er weer in te duiken. Al was het wel zo dat er iets van me afviel toen het boek klaar was. Het is fijn dat er iets tastbaars is.”

Hoe was het om na de ramp weer een vliegtuig in te stappen?

„Ik vond het niet eng, maar vliegen wordt nooit normaal. Als ik een vliegtuig inloop, zie ik alle onderdelen voor me zoals ik ze daar heb zien liggen in de woestijn. Als het begint te schudden met landen en opstijgen, voel ik me heel dicht bij hun laatste moment, dat is gewoon heel naar. Het wordt nu minder, maar de eerste keren dat ik in een vliegtuig zat, dacht ik: stort maar neer. Laat me maar bij hen zijn. Nee, nu heb ik dat niet meer.”

Was je depressief?

„Ik weet niet of je dat een depressie kan noemen, het heeft een heel aanwijsbare oorzaak. Het gaat in golfbewegingen. Ik was heel kwaad. Ik dacht: waarom hebben jullie me hier achtergelaten? Dat denk ik nog wel eens.”

De angst om verlaten te worden, had ze al als kind. Vaak moest ze ergens logeren omdat haar ouders hun handen vol hadden aan de verzorging van hun zieke zoon.

„Mijn wereld was heel onveilig”, zegt ze. „Ik was een bang kind, en daardoor een dankbaar pestslachtoffer. Ik had altijd het gevoel: mijn ouders gaan weg, ze laten mij alleen. Gaandeweg leer je erop te vertrouwen dat je wél altijd opgehaald wordt en groei je over zoiets heen, bij mij is het nooit helemaal goed gekomen. Het is heel pijnlijk als die angst dan als jong volwassene bevestigd wordt.

„De ziekte van mijn broer was een groot drama voor het gezin. Het was eigenlijk pas net dat het met iedereen weer goed ging. Waarschijnlijk hebben ze het daarom aangedurfd die reis te maken. Juist als het goed gaat, gaan ze dood. Maar het mooie is dat ze heel gelukkig gestorven zijn. Ze hebben waarschijnlijk niks gemerkt, voor ze iets in de gaten konden hebben, was het al voorbij. Ik troost me met de gedachte dat ze elkaar niet hoeven missen en op een hoogtepunt in hun leven dood zijn gegaan, na een heel mooie reis, zonder zorgen om ons drieën. Dat hoop ik dan maar.” <<