Schuivende schotsen op de mantelstroop

De grond onder onze voeten lijkt stevig en vast, maar in werkelijkheid zwieren we als op een ijsschots over een oceaan van stroopachtig gesteente. Langzaam maar zeker verschuiven de continenten zodat iedere paar miljoen jaar de aardbol er weer iets anders uitziet. In een paar honderd miljoen jaar is-ie onherkenbaar.

Deze theorie van de platentektoniek lijkt zo logisch. Kijk op de kaart, Brazilië past precies in Afrika, pal aan de overkant van Atlantische Oceaan. In werkelijkheid is het een zwaar bevochten wetenschappelijke theorie. Want geleerden konden natuurlijk al eeuwenlang zien dat die twee stukjes continent héél mooi op elkaar pasten, maar ja, dat kon ook toeval zijn. Want hoe konden zulke brokken steen ooit bewegen?

Dat er een zachte aardmantel is waarop kratons drijven, stukken oercontinent, die hele stukken continenten met zich meeslepen op een dronkemanstocht over de aardbol, wie kon zich ooit zoiets voorstellen? De Oostenrijkse poolreiziger en geoloog Alfred Lothar Wegener (1880-1930) kwam in 1912 met het kernidee van de continental drift. Maar pas nadat onderzoeksschepen en atoomonderzeeboten van het Amerikaanse leger de bodem van de Atlantische Oceaan goed in kaart hadden gebracht werd de theorie breed geaccepteerd, minder dan vijftig jaar geleden. Het bestaan van het geheimzinnige onderzeese gebergte van de Mid-Atlantische rug – de langste bergketen ter wereld – kon alleen maar goed worden verklaard met de altijd marginaal gebleven theorie van Wegener.

Nu twijfelt niemand meer aan de drift. De BBC maakte er onlangs nog een schitterende tv-serie over met Iain Stewart: The Rise of the Continents. Maar wie verderop in de bijlage het stuk van Marcel aan de Brugh over het ontstaan van de Himalaya en het vreemde gedrag van de Indische Plaat leest, ziet wel: we weten eigenlijk nog steeds heel weinig.