Rekbaar alibi

4 en 5 mei zijn een eeneiige tweeling: twee gedenkdagen voor één gebeurtenis. In 1946, toen het begon, was het een logische combinatie: eerst gedenken wij hen die hun leven gaven, dan drogen wij de tranen en vieren wij waarvoor zij hun leven gaven: onze vrijheid. Zo doen we het nog steeds, elk jaar weer, ook afgelopen maandag, „in blijvende dankbaarheid jegens allen die waar ook ter wereld hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid,” zoals Eric Burmeister van het Nationaal Comité 4 en 5 mei het formuleerde.

Wij herdenken op 4 mei al lang niet meer alleen de 7900 Nederlandse militairen die tussen 1940 en 1945 omkwamen. Ook nog 2000 verzetsmensen, 102.000 Nederlandse Joden, 89.000 niet-Joodse burgers, 5000 soldaten en 150.000 burgers in Indonesië, 125 in Korea, 9 in Libanon, tot 2 in Mali, and counting.

Volgens het comité gedenken wij „allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties”. Premier Rutte sprak afgelopen maandag van „dappere Nederlandse mannen en vrouwen, die vochten en vechten voor vrijheid, vrede, rechtvaardigheid. Gesneuveld in de strijd voor het goede”.

Dus al die Nederlandse oorlogsslachtoffers sinds 1945, bij elkaar een kleine 400.000, gaven hun leven voor ‘de vrijheid’ en ‘het goede’? Dat klopt niet. Die 89.000 burgers in WO II waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Pech. Mijn vader vocht in de politionele acties in Indonesië. Voor de vrijheid? Welke? Om slaven te houden en grondstoffen te roven? Of was het toch meer tégen de vrijheid, van het Indonesische volk?

‘Wij gedenken de helden die stierven voor de goede zaak, de klootzakken die aan de verkeerde kant stonden, de slapperds die er een beetje tussenin zaten en de stakkers die pech hadden” – het zal waarschijnlijk nooit zo gezegd worden, maar dat is wel de bonte verzameling doden die het Comité 4 en 5 Mei bij elkaar gesprokkeld heeft.

De Tweede Wereldoorlog was de perfecte botsing tussen goed en kwaad. Dat morele zwart-witschema vormde de grondslag voor de 4 en 5 mei-traditie.

En in een nobel streven naar eenheid en inclusie (en de al even nobele onwil om op zo’n gevoelig moment de puntjes op de i te zetten), werd een morele mythe gecreëerd, een rekbaar alibi dat altijd past en nooit knelt: Nederlanders die omkomen bij een militair conflict gaven hun leven voor vrijheid en het goede. Ook als ze op de bus stonden te wachten toen die afzwaaier insloeg en zelfs als ze het loodje legden bij het over de kling jagen van 150.000 vrijheidsstrijders.

En in Bosnië, Irak, Afghanistan, Uruzgan stierven onze jongens en meisjes daar voor de vrijheid en het goede? Zou het niet eerlijker zijn om te erkennen dat zij daar stierven voor het landsbelang? Voor onze relatie met Amerika, bijvoorbeeld, waar vrijheid en democratie niet zelden synoniem zijn met ‘oil’ en ‘power’? Sterven voor je land, is dat niet genoeg reden om een soldaat te eren? Waarom die upgrade? Omdat hun dood dan beter verkoopt?

Het pijnlijkst pakt deze mythologie uit voor de Joden. Stierven zíj voor onze vrijheid? Voor het goede? Werkelijk? Wij moeten de Nederlandse Joden die vermoord werden herdenken, elk jaar opnieuw, en opnieuw, maar als martelaren van onze vrijheid? Dat is adding insult to injury. Het afgrijselijkste aan de Holocaust is nu juist dat de Joden nergens óm stierven. Niet voor vrijheid, niet voor democratie, niet voor beter onderwijs. Nergens vóór. Laten wij van onze oorlogsdoden op z’n minst gedenken waarom zij werkelijk stierven. Meestal om niks, of om de verkeerde reden.