‘Red Ed’ bleef te veel praten in abstracte taal

Vertrekkend Labourleider

Aan ideeën schortte het niet. Maar hij maakte niet duidelijk wat hij nu wilde met het land.

Ed Miliband
Ed Miliband Foto AP

Het mailtje dat oppositieleider Ed Miliband gisteren rond lunchtijd naar de achterban stuurde, was kort en krachtig: „Dit is niet de e-mail die ik vandaag wilde schrijven. De nederlaag die we leden, spijt mij diep. (..). Ik neem de volledige verantwoordelijkheid op me, en dat is waarom het absoluut juist is dat ik vandaag opstap als Labourleider.”

Vierenhalf jaar geleden stond hij nog triomfantelijk op een podium in Manchester. Hij had net een verbeten strijd om het partijleiderschap gewonnen. Ten kostte van zijn broer David, en met een nipt verschil van 1,25 procent.

Tot dan toe was Ed (1969) altijd „de andere Miliband”. David was als voormalig minister van Buitenlandse Zaken bekender. David deed als oudste alles eerder: een studie politicologie, filosofie en economie in Oxford, werken als adviseur van een minister, het schrijven van het partijprogramma, het winnen van een Lagerhuiszetel.

Maar Ed kreeg de steun van de vakbonden, onontbeerlijk binnen de Labour Partij. Het leverde hem in de conservatieve pers de bijnaam ‘Red Ed’ op. Ook omdat hij in zijn overwinningstoespraak zei het programma waarmee Gordon Brown de verkiezingen van 2010 hoopte te winnen (en waaraan Miliband meeschreef) te weinig radicaal was.

In de daaropvolgende jaren zou blijken wat Miliband bedoelde. Hij ging de strijd aan met energiebedrijven en wilde hen dwingen de prijzen voor consumenten te bevriezen. Hij stelde een belasting op huizen boven de 2 miljoen pond voor (waar een groot deel van Londen onder zou vallen). Hij wilde dat rijke Britten die om belastingtechnische redenen buiten het Verenigd Koninkrijk woonden, toch belasting zouden betalen. Het bedrijfsleven vreesde dat een regering-Miliband ondernemerschap zou smoren.

Aan losse ideeën schortte het niet. Miliband scoorde met zijn strijd tegen projectontwikkelaars, multinationals en mediamagnaat Rupert Murdoch. De kiezer was echter alleen steeds éven onder de indruk, maar kreeg geen hoogte van wat Miliband nu eigenlijk wilde met het land, met name op economisch terrein.

Groot probleem was dat Miliband bleef praten in abstracte taal – ‘predistributie’ was een tijd zijn favoriete term. Hij had bovendien zijn uiterlijk niet mee had. Cartoonisten portretteerden hem steevast als de maffe uitvinder Wallace, van de kleinpoppetjes Wallace en Grommit. Fotografen ontdekten dat foto’s waarop hij er sullig uitzag, goed verkochten.

De Labourleider zag zich genoodzaakt een toespraak over zijn imago te houden: „Als u de politicus wilt die zo van een set afkomt, ben ik dat niet.”

Het was niet louter imago. Miliband hield een rampzalige toespraak op zijn partijcongres, waarin hij vergat om over het begrotingstekort en immigratie te spreken. Dodelijk was een column in The Times, waarin Jenni Russell, speciaal aangetrokken om het Labourgeluid in de krant te vertolken, beschreef hoe Miliband op een borrel met de top van het Britse bedrijfsleven kwam. Hij was niet ingevoerd, en toonde geen interesse.

Pas de laatste weken kantelde het beeld. Maar onvoldoende om de kiezer ervan te overtuigen dat hij een staatsman kon zijn. Hij behield zijn eigen zetel, maar moest toezien hoe Labour in 26 kiesdistricten de strijd verloor.