Provo heeft nog veel te weinig bereikt

Oud-provo Hans Metz (70), die maandag te zien is in de documentaire Rebelse stad, behoorde tot de kerngroep van provo, de jongerenbeweging die vijftig jaar geleden werd opgericht. „De openbare orde moet voortdurend verstoord worden.”

Raif Badawi

„Bij die herdenkingen van vijftig jaar provo bekruipt me een beetje een ongemakkelijk gevoel. We zijn nu definitief ingelijfd bij de geschiedenis en daarmee onschadelijk gemaakt. Terwijl er nog veel te weinig bereikt is. Honger en oorlog zijn de wereld nog steeds niet uit, en zo lang bloggers als de Saoediër Raif Badawi in de gevangenis terecht komen, zijn we ook op het gebied van vrije meningsuiting nog heel ver van huis. Met provo wilden we de openbare orde verstoren, dat is destijds gelukt. Maar de openbare orde moet voortdurend verstoord worden. Daarom was ik blij toen een van mijn oude provo-maten, Janhuib Blans, tijdens de première van de film Rebelse Stad door de zaal ging roepen als protest tegen het feit dat de vertoning gekaapt werd door de afdeling promotie van de gemeente Amsterdam. ‘We laten ons niet gebruiken!’, riep hij. Hij had gelijk.”

Nieuw-Guinea

„Mijn opa was een norse, zwijgzame man. Maar hij leefde op als hij verhalen over vroeger vertelde. Bijvoorbeeld over die keer dat hij met zijn vader vanuit Den Haag naar Friesland was getrokken om Domela Nieuwenhuis te horen spreken, de gedreven sociaal-anarchistische denker en politicus. Dat was begin vorige eeuw niet minder dan een wereldreis. Bij mijn opa las ik het blad Bevrijding van de PSP, de Pacifistisch Socialistische Partij. Op mijn 15de werd ik lid. Een lezing van een ontwikkelingswerker die in India was geweest en vertelde over de grote verschillen daar tussen arm en rijk, maakte grote indruk. Wapengeweld was de andere grote kwestie die me bezighield. Op mijn 17de werd ik door de politie opgepakt wegens het illegaal plakken van affiches met de tekst ‘Geen troepen naar Nieuw-Guinea’. Korte tijd later werd ik van school gestuurd.”

Valkenburgerstraat

„Vanaf 1961 vonden er twee keer per jaar anti-atoombomdemonstraties plaats, telkens op een andere plek in Nederland. Ik ging er altijd van uit dat al mijn medereizigers in de trein of de tram daar ook heen gingen, en was verbaasd als niet iedereen tegelijk met mij uitstapte, zo vanzelfsprekend vond ik het om tegen oorlog en geweld te zijn. Bij die demonstraties liepen voornamelijk oudere mensen mee, de paar jongeren die er altijd bij waren, leerde ik snel kennen. Een van hen was Roel van Duijn, een Haagse jongen die net als ik van school was gestuurd, onder meer vanwege zijn anti-atoombomacties. Hij wilde een radicaal tijdschrift oprichten en vroeg of ik meedeed. ‘Ja, graag,’ zei ik. Ik kon zijn zolderkamertje in de Valkenburgerstraat overnemen, en verhuisde van Utrecht, waar ik bij mijn ouders woonde, naar Amsterdam. In juli 1965 verscheen het eerste nummer van Provo. De weerklank was overweldigend. Mijn adres was het officiële adres van Provo. Ik kreeg post van ‘Provo-Leiden’, ‘Provo-Hengelo’, overal creatieve jongeren die spontaan ook een gestencild blaadje begonnen.”

Vrolijkheid

„Ik was het lang niet in alles eens met Roel van Duijn. Zo vond hij dat we ons moesten richten op jongeren, studenten en kunstenaars, het ‘provotariaat’, en dat we niets te verwachten hadden van de arbeiders, omdat die zich door de welvaartsstijging hadden overgeleverd aan het consumentisme. Dat was naar mijn idee veel te kort door de bocht. Maar we vonden elkaar in onze afkeer van het establishment en de autoriteiten. En ik was allang blij dat er iets gebeurde! De happenings van ‘anti-rookmagiër’ Robert Jasper Grootveld bij het Lieverdje op het Spui spraken me erg aan, optredens waarin hij op zijn eigen, theatrale manier de draak stak met van alles. Er ontstond een heel vruchtbare samenwerking tussen provo, dat de wereld wilde veranderen, en Grootveld, die vrolijkheid en speelsheid meebracht.”

Wit laken

„Dat provo zo aansloeg kwam ook omdat de autoriteiten zich wel heel gemakkelijk lieten provoceren. Je hoefde maar met een spandoek te lopen of je werd opgepakt. We wilden demonstreren tegen het gewelddadige optreden van de politie, maar burgemeester Van Hall verbood de leuzen, die moest je vooraf laten goedkeuren. Toen wilden we demonstreren voor ‘vrijheid van meningsuiting’. Dat mocht ook niet. Uiteindelijk stelde ik voor om dan maar met een wit laken te gaan lopen, zonder tekst. Maar zelfs daar kregen we problemen mee. We begonnen bij de Dam en bij de Munt werden we al gearresteerd en afgevoerd naar het politiebureau. Van Hall was helemaal gefixeerd op handhaving van de openbare orde. Hij moest uiteindelijk aftreden, net als het hoofd van de politie. Dat is wel iets wat we bereikt hebben met provo, een vrijere atmosfeer. Autoriteiten hebben niet meer bij voorbaat gelijk. En verder was provo heel vroeg met het aankaarten van allerlei misstanden, zoals luchtverontreiniging. Daarvoor bedachten we het witteschoorstenenplan, tegen de vervuiling door de industrie. En dat terwijl de hele milieubeweging nog moest nog beginnen.”

God, Nederland & Oranje

„Ik was niet zo’n woordvoerder, mijn rol was vooral die van werker op de achtergrond. Maar omdat het adres en de bankrekening van Provo op mijn naam stonden, wist de politie mij gemakkelijk te vinden en werd ik heel vaak gearresteerd. Zo kwam mijn naam af en toe in de krant. Meestal werd ik na een dag of een nacht in de cel weer vrijgelaten, maar drie keer zat ik voor langere tijd vast: na het uitkomen van het eerste nummer van Provo, na een Vietnam-demonstratie – wegens het roepen van ‘Johnson moordenaar’ – en een keer vanwege een spotprent van koningin Juliana in het blad God, Nederland & Oranje. Daarvan was ik de uitgever en Bernard Holtrop, alias Willem, de belangrijkste tekenaar. Die keer heb ik een maand in de gevangenis gezeten. Na afloop van de zaterdagse happenings op het Spui liep een stel mensen door naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg om daar ‘Hans Metz moet vrij’ te roepen. Dat is wel geweldig, wanneer je als politieke gevangene in je cel op je bedje ligt en je hoort buiten om je vrijlating roepen.”

Charlie Hebdo

„Na de opheffing van Provo in 1967 werd ik gewoon weer actief in de linkse politieke beweging. Eerst bij wat trotskisten, tot ik terugkeerde bij de PSP. Toen die opging in GroenLinks, ben ik meegegaan. Ik heb nooit een politieke functie geambieerd, het werk achter de schermen, als afdelingsbestuurder of fractiemedewerker, ligt mij beter. Ik loop niet echt warm voor een kwestie als de instelling van eenrichtingsverkeer in die-en-die straat. Maar om de verschillen tussen arm en rijk maak ik me nog altijd druk. Ook de vrijheid van meningsuiting gaat me nog altijd aan het hart. Na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo heb ik voor het eerst sinds lange tijd weer een demonstratiebord gemaakt.”

Reünie

„Provo was geen vriendenclub, na de opheffing zijn we ieder ons weegs gegaan. Ik heb dertig jaar als ambtenaar gewerkt Sommige oude maten spreek ik nog weleens. Zo hebben we bij de Fietsersbond ooit Luud Schimmelpennink uitgenodigd om over zijn wittefietsenplan te praten. En we zien elkaar op begrafenissen. De eerste keer bij de uitvaart van Rob Stolk in 2001, dat was een soort reünie. Toen spraken we af om voortaan altijd allemaal te komen, telkens als er iemand van ons dood zou gaan.”