Leven voor de vuist weg

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Einde en begin van Wislawa Szymborska.

Illustratie Marieke Knaapen
Illustratie Marieke Knaapen illustratie marike knaapen

Je moet aan het poëzie-infuus, schreef een vriend die had begrepen dat ik steeds meer moeite kreeg met het lezen van dikke, moeilijke boeken. Als Proust je te zwaar is, probeer dan eens ‘kleine, geconcentreerde doses literaire schoonheid, kort om te lezen maar lang om over na te denken’. En dus begon hij me twee, drie keer in de week een gedicht te sturen, uit alle hoeken van de wereldliteratuur en met een klein beetje uitleg. De ideale manier om poëzie te consumeren, sinds jaar en dag beproefd op talloze dagkalenders van de poëzie.

Waarschijnlijk is mijn ontvankelijkheid voor poëzie al na twee maanden gerevitaliseerd, want afgelopen weekend dompelde ik me als vanzelf onder in het verzameld werk van Wislawa Szymborska. Einde en begin, uit het Pools vertaald door Gerard Rasch, behoort tot de boeken die je keer op keer uit de kast kunt trekken. Er is altijd wel een aanleiding. Bomaanslag in het nieuws? Grijp naar ‘De terrorist – kijkt’, waarin ze registreert wie er in en uit een café lopen waar een explosief zal afgaan. Vluchtelingenstromen op de tv? Huiver bij ‘Enkele mensen’, met de omineuze regel ‘Voor hen ligt een of andere weg die nooit de goede is’. Writer’s block? Lees ‘De vreugde van het schrijven’ en vooral de verzen ‘Een oogwenk zal zo lang duren als ik wil,/ ik kan hem opdelen in kleine eeuwigheden’. Verliefd? Pak ‘Liefde op het eerste gezicht’ of ‘Gelukkige liefde’, de mooiste ode aan een langdurige relatie die ik me kan voorstellen.

Ik herinnerde me van Szymborska een mooi gedicht over een fotoalbum, en dat wilde ik terugvinden. Zelf ben ik altijd bezeten geweest van fotoboeken, en dat is de afgelopen twee jaar alleen maar sterker geworden. Veertig jaar lang heb ik de foto’s van de vakanties, van de kinderen en van alle andere gebeurtenissen uit mijn leven systematisch en in verschillende series ingeplakt. Zo’n zestig Henzoboeken, in de formaten groot en extra groot, bieden zicht op het verleden, door raampjes van 10 bij 15 en omlijst met handgeschreven commentaar. Het bijwerken van die albums – ik liep een jaar achter – stond hoog op het prioriteitenlijstje toen ik te maken kreeg met een verlaagde levensverwachting. En hoewel ik mijn best heb gedaan, is het werk nog niet af; de afgelopen maanden heb ik geleerd dat foto’s inplakken voor een ALS-patiënt topsport is, zware lichamelijke arbeid waarvan je binnen een kwartier buiten adem raakt. Ik hik nog steeds tegen het laatste album aan, en inmiddels blijkt de lijm van de oudste boeken op veel plaatsen los te laten.

Zoek en je vindt iets waar je niet naar op zoek was. Het gedicht van Szymborska dat ik wilde herlezen, ‘Familiealbum’, was heel anders dan ik me herinnerde: niet nostalgisch maar licht-sarcastisch, spottend met de o zo gewone levens van de mensen op de foto (‘In deze familie is niemand van liefde omgekomen’). Je zou er een commentaar op een vergeefs bestaan in kunnen lezen, te meer daar veel van de gedichten die eromheen stonden datzelfde gevoel uitdragen – van ‘Stilleven met ballonnetje’ uit 1957 (‘Niet mijn herinneringen/ wens ik in mijn stervensuur,/ ik wens de terugkeer/ van zoekgeraakte dingen’) tot ‘De werkelijkheid eist’ uit 1993, waarin de dichter onderstreept dat het leven ook na de grootste rampen doorgaat: ‘Waar geen steen op de andere bleef –/ wordt nu de ijscoman/ door kinderen belegerd.’

Ik kende Szymborska vooral als de meesteres van de parlandopoëzie en van de dwarse, originele kijk op de wereld; als iemand die commentaar leverde op een babyfoto van Hitler vanuit het perspectief van een negentiende-eeuwer, of die de lof zong van haar dromen, waarin ze vloeiend Grieks spreekt en schildert als Vermeer. Misschien komt het door mijn veranderde omstandigheden, maar nu blijken haar voornaamste thema’s sterfelijkheid en onsterfelijkheid te zijn. Ja, de mens leeft ‘voor de vuist weg’; we rommelen maar wat aan want je kunt er niet voor oefenen. Je moet oppassen dat je dagen niet onopgemerkt verglijden, zoals de 16de mei 1973 waar de dichter zich niets meer van kan herinneren. En in het algemeen leef je korter dan de kleren en de juwelen die je draagt. Maar bekijk het ook eens van de positieve kant: ieder mens, niet alleen de componist uit het gedicht ‘Klassiek’, laat iets na, of het nu een kind, een mooie herinnering of een keurig bijgehouden fotoboek is.

Non omnis moriar, ‘ik zal niet helemaal sterven’, schreef de Romeinse dichter Horatius in een van zijn Oden – een citaat dat een paar keer terugkomt in de gedichten van Szymborska. De Poolse Nobelprijswinnares, die in 2012 op 88-jarige leeftijd in haar slaap overleed, schreef poëzie waarvoor het Duits het woord lebensbejahend heeft uitgevonden. En wie daar nog niet genoeg troost uit put, leze ‘Over de dood – zonder overdrijving’, waarin Magere Hein gekleineerd en bespot wordt. Hij heeft geen humor, hij doet zijn werk klungelig (‘alsof hij het bij elk van ons nog leren moet’) en hij is allesbehalve almachtig. Want: ‘Er is geen leven dat nooit,/ al was het maar een ogenblik,/ onsterfelijk is geweest.’ En: ‘Wat iemand achter zich heeft,/ kan hij nooit terugnemen.’