Is stagnatie alleen maar narigheid?

Economen moeten de tijd van hun leven hebben. Het is gekmakend en fascinerend tegelijk. Met plakband en schoenveters proberen ze manmoedig nog wat theorieën bij elkaar te houden. Maar ja, het laat in de dagelijkse praktijk elke keer weer los. Centrale banken, ooit de meest conservatieve krachten in de maatschappij en de geldwereld, pompen nu ongekende bedragen in de economie. De centrale banken die altijd pleitten voor stabiliteit en vertrouwen, experimenteren met ons geld alsof het geen geld kost. Ja, letterlijk.

De rente is door hun gratis-geldpolitiek zo laag, dat het bedrijfsleven massaal zou moeten investeren in nieuwe machines, producten, technologie, noem maar op. De winsten van grote ondernemingen zijn immers verrukkelijk. Maar wat doen ze? Voor zover zij geld lenen, kopen zij massaal hun eigen aandelen. Zij geven geld uit om hun eigen kapitaal te laten krimpen.

En dan heb ik het nog niet eens over de inflatiegolf die al een tijdje op ons af moet komen rollen doordat er zoveel geld in de economie wordt gepompt. Er is natuurlijk wel inflatie, maar niet de inflatie waar je als consument tegen aanloopt. Prijzen van goederen in de winkel stijgen niet, maar prijzen van aandelen (beurskoersen) en de prijs van topmanagers (beloningen) bijvoorbeeld weer wel.

Ik kwam op het tragisch lot van economen bij wat onderzoek naar een onderwerp voor een column (niet deze). Bij dat zoeken belandde ik figuurlijk in de economie van het tweede deel van de jaren 70 van de vorige eeuw. De grote westerse economieën kwamen na een aantal schokken (valuta-onrust, olieprijsexplosie, militaire conflicten) voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog terecht in een fase van stagnatie. De voorheen vanzelfsprekende groei stopte, omvangrijke werkloosheid en gierende inflatie deden zich voelen. In één woord samengevat: stagflatie. Een generatie economen (en politici, beleidsmakers, centralebankpresidenten) is ermee opgegroeid. Waar kwam stagflatie vandaan? Wat kon je er met overheidsmaatregelen aan doen? Moest je er iets aan doen?

Niets is zo gevaarlijk om tijdperken met elkaar te vergelijken en daar conclusies aan de verbinden, maar overeenkomsten zijn er wel. De stagnatie. De hoge werkloosheid. De schokken: de bankencrisis, eurocrisis, huizencrisis. En de verwarring onder economen en beleidsmakers.

Wat is er nu anders? Genoeg. De technologische revolutie, bijvoorbeeld. (Even terzijde: Microsoft is in 1975 opgericht, Apple in 1976. Zo zie je maar: twee van de herauten van de digitale toekomst stammen uit de stagflatietijd. Het is dus niet alleen maar narigheid).

Nog een verschil: de inflatie. Die liep toen uit de hand, richting 10 procent. Nu loopt ’ie ook de hand, maar dan richting nul. Hetzelfde geldt voor de rente: zo laag dat het nauwelijks nog verschil maakt of je spaargeld in een ouwe sok stopt of bij een bank deponeert. Wie het eerste doet, hoeft ook niet na te denken over vragen als: wat is eerlijk loon voor een bankbestuurders en voldoet mijn bank daaraan?

Hoe moeten economen onze tijd typeren? Jammer dat het tegenovergestelde van inflatie juist deflatie is. Daar hebben we in een nieuwe samentrekking met stagnatie niks aan. Dat blijft stagflatie. En die ouwe sok? Ook niks.

Maar gelukkig kun je thuis ook op een andere manier sparen en slapend niks verdienen. We zitten in de tijd van stagmatie: alles stagneert (groei, banen, lonen) en je bewaart je geld gewoon in bed. Onder je matras.