Ik had mijn leven op orde. Nu heb ik niks meer

In de Jemenitische stad Aden wordt om elke straat gevochten. Wie weg kan, gaat. Zoals Muheeb Ishaq (33), die een goede baan en al zijn bezittingen achterliet. Hij vluchtte met zijn gezin naar Djibouti. Dit is zijn verhaal.

Kinderen spelen in het vluchtelingenkamp in Obock. Ishaq en zijn familie willen hier niet naar toe. „We willen een kans om ons leven weer op te bouwen.” Foto TONY KARUMBA/AFP
Kinderen spelen in het vluchtelingenkamp in Obock. Ishaq en zijn familie willen hier niet naar toe. „We willen een kans om ons leven weer op te bouwen.” Foto TONY KARUMBA/AFP

‘Het leven in Aden is tot stilstand gekomen. Delen van de stad zijn van elkaar afgesneden door de gevechten. De stroom is uitgevallen, er is een gebrek aan voedsel, water en brandstof. In 1986 waren er ook gevechten, maar die duurden dertig dagen. En in 1994, tijdens de burgeroorlog tussen Noord- en Zuid-Jemen, vond de strijd ver buiten de stad plaats.

Er wordt om elke straat gevochten. Burgers hebben vrijwilligersbrigades gevormd om de Houthi-rebellen terug te dringen, maar ze hebben alleen kalasjnikovs. En ze moeten het ook opnemen tegen speciale eenheden van voormalig president Saleh.

We besloten met drie gezinnen te vertrekken: mijn eigen gezin met twee kinderen, mijn ouders, en het gezin van mijn broer en mijn zus. Elf mensen in totaal. Ik moest ze overhalen. Mijn broer is architect.

Mijn zus zou over een jaar afstuderen als accountant. Ik werkte als regionaal risicomanager van Zuid-Jemen voor een Duitse hulporganisatie. We moesten alles achterlaten: drie auto’s, drie huizen, veel voedsel.

11 mensen met bagage in een auto

Het gebied rond mijn huis werd beschoten met mortiergranaten. Ik zei: dit leven is je maar één keer gegeven, je krijgt geen tweede kans. We probeerden zoveel mogelijk geld mee te nemen, maar de bank was dicht. Niemand wilde ons geld lenen. We wisten niet waar we onze auto’s in veiligheid konden brengen.

De weg naar de haven liep dwars door het front en was geblokkeerd door troepen van oud-president Saleh. Aan de andere kant was een controlepost van een burgerbrigade uit Aden. We zaten met elf mensen in een auto, plus onze bagage. We hadden alleen een beetje water bij ons en wat biscuitjes voor de kinderen.

Toen de troepen van Saleh ons aan zagen komen, zeiden ze: ‘Ga niet verder, er wordt gevochten’. Maar we zijn toch doorgereden. De weg was afgesloten met betonblokken. Er stonden uitgebrande pick-uptrucks met zware machinegeweren en een gekantelde vrachtwagen. We hebben ons er doorheen gewurmd.

Aan het begin van de zeeweg stonden tanks. Toen we die voorbij waren, begonnen sluipschutters op ons te schieten vanuit de heuvels. Toen we bij de ingang van de haven aankwamen, moesten we overstappen in een bus. Toen werden we weer beschoten. Mensen raakten in paniek en probeerden dekking te zoeken. Ik kan niet geloven dat ze schoten op onschuldige mensen. We probeerden de tas met insuline voor mijn moeder te pakken, maar het was te gevaarlijk.

De bus bracht ons naar de haven, waar we drie dagen hebben gewacht op een boot. Op 10 april werden we opgepikt door een Indiaas marineschip, met een groep Britten, Amerikanen, Bengalen en Indiërs. We moesten 200 dollar per persoon betalen voor de overtocht. We vroegen of ze ons naar India wilden brengen, maar ze weigerden.

We waren blij om Djibouti te bereiken. Maar toen we aankwamen, mochten we de kade niet op. Ze wilden ons naar het vluchtelingenkamp bij Obock sturen, maar daar wilden we niet heen. De bewakers duwden ons terug de boot op. Mijn vader had een Brits paspoort uit de koloniale tijd, maar dat hielp niet.

Al moeten we hier sterven

We zeiden: al moeten we hier sterven, we gaan nergens heen. Ik leende een telefoon om mijn broer in Canada te bellen. Hij belde een vriendin in Djibouti, die naar de haven kwam. Zij wist de autoriteiten te overtuigen dat ze voor ons in zou staan. Ze nam ons mee naar haar huis, maar dat was veel te klein voor elf mensen. Dus de volgende dag zijn we vertrokken.

We wilden een appartement huren, maar konden niets vinden. Toen heeft iemand ons naar Lootah Village gebracht, een gated community voor Amerikaanse en Saoedische expats. Daar vonden we een appartement voor 800 dollar per maand.

Daarna kwamen hier nog veel meer Jemenieten. Ze kregen wel een gratis appartement. Gelukkig wordt er voor ons gekookt, want alles is hier erg duur. We hebben geen koelkast en delen vier matrassen.

We hebben geen geld om hier lang te blijven. Maar ik durf niet te denken aan wat hierna komt. Zelfs als we geen huur hoeven te betalen, kunnen we hier niet voor altijd blijven. En wat dan? We zijn goed opgeleide mensen. Het enige wat we willen, is een kans om ons leven weer op te bouwen.

Ik had mijn leven helemaal op orde. Nu zit ik hier en heb ik helemaal niks meer. Niemand kan ons helpen. We zijn veilig, dat is het enige. We verwachten niet dat we ooit naar Jemen terug zullen keren.”