Hoe tegenstanders ‘sociale partners’ werden

Met zijn Stichting van de Arbeid legde Heineken-directeur Dirk Stikker in 1945 het fundament voor het ‘poldermodel’.

Dirk Uipko Stikker (1897-1979), industrieel, politicus, diplomaat
Dirk Uipko Stikker (1897-1979), industrieel, politicus, diplomaat Foto ANP

De bruinrode bakstenen blinken in de middagzon. Ik hoef m’n ogen niet echt dicht te knijpen om me voor te stellen hoe dit hofje voor de welgestelden er zeventig jaar geleden uitzag. Wat minder aangeharkt, maar verder... Net zo.

Het naambordje zegt Albert Hahnplantsoen. Het zijn maar een handvol huizen, in een zijstraat van de sjieke Apollolaan in Amsterdam.

Op huisnummer 16 woonde Dirk Stikker, directeur van de Heinekenbrouwerij. In de loop van de oorlog reed hij stad en land af, met een vervalst vrijgeleide van de Luftwaffe, om de verboden werkgeversverenigingen en vakbonden aan één overlegtafel te krijgen. Hij legde de basis voor wat tegenwoordig het poldermodel heet. Hij was de eerste voorzitter van de Stichting van de Arbeid, nog altijd hét overlegforum als de werkgevers en de vakbonden serieus zaken willen doen.

Van de feestelijkheden bij de Bevrijding merkt hij niks, schrijft Stikker in zijn Memoires. Hij ziet nog wel zijn jongste zoon in de blauwe overall van de Binnenlandse Strijdkrachten met een stengun op een motor wegrijden. Stikker is bezig met de proclamatie van de Stichting aan het Nederlandse volk. Zoveel mogelijk exemplaren moeten worden gedrukt. Klare taal:

„Werkgevers: Houdt de poorten open, Werknemers: vervul uw plicht. Het Vaderland heeft allen nodig. Een nieuwe toekomst ligt voor ons.”

De winter van de Duitse bezetting en de massawerkloosheid van de jaren dertig moeten plaats maken voor een nieuwe lente. „De massa moet van de straat”, hield Stikker de werkgevers eerder voor. „Pas wanneer er gewerkt wordt, eerst wanneer er schijnbaar orde en rust is, kan de debacle van dezen oorlog overzien worden.”

Wat me opvalt is de mengeling van onzekerheid en een aanstekelijk optimisme. Niemand weet wanneer de oorlog is afgelopen, maar nationaal en internationaal zoekt men al oplossingen voor de naoorlogse verhoudingen. Al in juni 1944 vergaderden zo’n vijftig landen in het Amerikaanse Bretton Woods en legden de basis voor IMF en Wereldbank. Stikker en de zijnen smeedden een nieuw Nederlands instituut voor sociaal-economische samenwerking.

De Stichting van de Arbeid is „als overlegorgaan zeker een breuk met het verleden”, zegt hoogleraar economsche en sociale geschiedenis Jan Luiten van Zanden van de Universiteit Utrecht. De werkgevers erkennen de vakbonden, althans die gelieerd zijn aan de sociaal-democratische en religieuze zuilen als volwaardige onderhandelingspartner. Niet de EVC, de bond die gelieerd is aan de communistische CPN.

Werkgevers en vakbonden heten sindsdien ‘sociale partners’. Ook als in 1950 de Sociaal Economische Raad (SER) wordt opgericht, een forum waar de regering ook neutrale experts benoemt, houdt de Stichting van de Arbeid zijn rol. De mensen in de Stichting zijn meestal door hun organisaties ook afgevaardigd naar de SER, maar in de Stichting is men onder elkaar, kent men elkaars belangen en gevoeligheden.

Overleg wint het van stakingen. „Dat was een impliciete veronderstelling van de werkgevers”, meent Van Zanden „En de vakbonden leverden. Voor de oorlog was de stakingsintensiteit soms groot. Na ’46 verdampt het helemaal. En een stakingsland zijn we nog steeds niet.”

Ook de politiek-economische wereld waarin de Stichting haar rol opeist is een breuk met het verleden. De overheid neemt meer dan voor de oorlog een sturende rol in de economie. Wat dat betreft is het eerder een voortzetting van economisch beleid tijdens de oorlog. De overheid steekt samen met banken kapitaal in een nieuwe bank voor industriefinanciering, de Herstelbank (1945). De Nederlandsche Bank wordt genationaliseerd (1948). Minister van Economische Zaken Van den Brink komt met industrialisatienota’s. De landbouw mechaniseert, de overtollige arbeidskrachten kunnen in de groeiende industrie aan de slag, industriële export moet geld en welvaart gaan verdienen.

De achtereenvolgende kabinetten hanteren een straf loon- en prijsbeleid, waarin bevriezing van de huren een cruciale rol speelt. De ‘geleide loonpolitiek’ is een complex onderhandelingsspel waarin de uitkomst bij voorbaat vast staat: voorop staat de verbetering van de exportpositie van Nederland. Ook dat is een breuk met voor de oorlog: toen duur, nu is Nederland een goedkoopte-eiland.

De geleide loonpolitiek duurt tot eind van de jaren vijftig. In 1963 is er een eerste zogeheten loongolf: de krapte op de arbeidsmarkt kan niet langer genegeerd worden, de lonen exploderen. Leve de welvaartsstaat en de consumptiemaatschappij.

Maar als de economie in de loop van de jaren zeventig vooral inflatie en werkloosheid produceert en een nieuwe geleide loonpolitiek dreigt, grijpen werkgeversvoorman Van Veen en vakbondsleider Kok terug op een beproefd recept. Hun Akkoord van Wassenaar (1982) koppelt loonmatiging aan winstherstel voor bedrijven én arbeidsduurverkorting. Het akkoord is gesloten in de Stichting van de Arbeid.

De laatste breuk met ‘voor de oorlog’ dient zich dan als vanzelf aan. In 1949 volgt Nederland nog een devaluatie van het Britse pond. Dat maakt de gulden goedkoper, helpt de export, maar maakt import duurder en schaadt de toch al karige koopkracht van de werknemers. Maar Engeland verdwijnt in de jaren vijftig als economisch baken. Nederland gaat zijn wisselkoers en rentepolitiek afstemmen op die van zijn grootste exportmarkt. Duitsland.