Herdenken

S. Montag

De oorlog is pas afgelopen als de laatste ooggetuige is gestorven, zei Harry Mulisch. Zo is het. De laatste Franse veteraan die in de Eerste Wereldoorlog had gevochten, is ouder dan honderd geworden. Toen hij dood was viel er niemand meer over de strijd in de loopgraven te raadplegen. Dat was allemaal indirect geworden, afgesloten geschiedenis.

Dat denk ik telkens weer als op 4 mei de twee minuten stilte aanbreken. Ik sta naar buiten te kijken, raam open. Indrukwekkend. En dan gebeurt het. Daar raast een jongen op een scooter voorbij, door het rode licht. Ook dat nog! Eerlijk gezegd kan het me niets schelen. Iedere generatie heeft haar eigen tijdvak, eigen drama’s, en als je lang genoeg leeft krijg je je eigen herdenkingen.

Toen ik een jaar of acht was, in 1935, ging ik met mijn vader en moeder naar Londen. Het was 11 november, de datum van de wapenstilstand. We stonden in een grote menigte. Plotseling werd het doodstil. En daar hoorde ik in de verte acht klokslagen. Ook onvergetelijk

Volgende week donderdag is het 75 jaar geleden dat het oude centrum van Rotterdam door Duitse bommenwerpers werd verwoest. Bommenwerpers? Nee. De bemanning van de Heinkels-111 die ongehinderd hun nooit bestrafte oorlogsmisdaad konden plegen. Ik weet het precies. Mijn vader en moeder en ik zaten in de kelder in een huis aan de Oudorpweg, een meter of tachtig ten noorden van het huis waarop de eerste bom is gevallen. De vloer golfde. We renden naar buiten en zochten dekking in een loopgraafje dat daar door de mariniers was gegraven. Ze waren alweer vertrokken. Daar hebben we ons de rest van het bombardement schuil gehouden.

De Heinkels vlogen laag en langzaam. Er was niets te vrezen. Luchtdoelgeschut was er niet, de Nederlandse luchtmacht bestond niet meer. Later heb ik me vaak afgevraagd of degenen die in de vliegtuigen zaten wel hebben beseft waar ze mee bezig waren. Het doelbewust verwoesten van een stad, een vitaal gigantisch en eeuwenoud organisme binnen niet langer dan een half uur in een puinhoop veranderen, en dat zonder enig risico voor de daders – het is een zo verbijsterende misdaad dat het woord onvatbaar je tebinnen schiet.

Maar voor oorlogsleiders hoort het tot de gewone praktijk. Nederland moest capituleren en als dat niet vlug genoeg gebeurde zouden Utrecht en Den Haag ook worden verwoest. Een paar jaar later zijn de Duitse steden aan de beurt gekomen. Dat ligt in de oorlogslogica beloten, Maar verwoesten blijft verwoesten, het ongedaan maken van de sporen van de geschiedenis.

Kort na het bombardement gingen de Rotterdammertjes van mijn generatie weer braaf naar school, langs een andere route, door het puin. Ik heb daar al een paar keer over geschreven, maar zo gaat het met her-denken. Op speciale dagen wordt oud nieuws weer even tot leven gewekt.

Achteraf bezien zijn voor mijn generatie de meidagen van 1940 het begin van een omwenteling in de vaderlandse geschiedenis. De oudere generaties begonnen met de wederopbouw. In Rotterdam werd eerst het plan-Van Traa gelanceerd, daarna het plan-Witteveen. Intussen werd er een nieuw centrum van noodwinkels gebouwd, en in de Kralingse Plas verscheen een schiereilandje, het puin van de oude stad. Het leek wel alsof de oorlog werd genormaliseerd.

Dat dit een grote vergissing was, is pas goed duidelijk geworden na 5 september 1944, Dolle Dinsdag. Een dag die ook een herdenking waard is. We dachten dat we morgen zouden worden bevrijd, maar de Hongerwinter moest nog aanbreken. Scholen dicht, openbaar vervoer in staking, geen elektriciteit en telefoon meer, toenemende schaarste aan alles, tenslotte een totale anarchie. In een persoonlijke samenvatting: rovend en plunderend trokken mijn vriendjes en ik door de stad.

Na de Bevrijding hebben we eerst de nationale restauratie gekregen en pas in de jaren vijftig begon de nieuwe tijd te schemeren. Dat is een ander verhaal, misschien voor later.