Gezocht: wijkagenten (en een beetje snel graag)

De wijkagent zou de spil worden van de nationale politie. Meer en langer op straat. Maar het zijn er te weinig, door de reorganisatie.

In december 2010 hield toenmalig minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) een toespraak voor een groep politieagenten op een congres over ‘wijkgericht politiewerk’. Het mooie nieuws is, zei hij, dat de politie „eind volgend jaar nagenoeg” zal voldoen aan de norm die de Tweede Kamer heeft vastgesteld: één wijkagent op vijfduizend burgers.

Genoeg wijkagenten, dat had dus in 2011 geregeld moeten zijn. In werkelijkheid komt de politie wijkagenten tekort. Volgens cijfers van begin dit jaar hadden vier van de tien regio’s waarin het nieuwe nationale politiekorps is opgeknipt, te weinig wijkagenten. Volgens de plannen zouden er landelijk 3.414 wijkagenten moeten zijn; de bezetting was volgens deze cijfers 2.990. Pas recent is daar verandering in gekomen.

De wijkagent zou de spil gaan vormen van de nieuwe nationale politie. „Van groot belang voor de veiligheid en veiligheidsgevoelens in de wijk”, schreef diezelfde minister Opstelten vorige zomer aan de Tweede Kamer. Hij beloofde toen dat de wijkagenten per afgelopen 1 januari in hun basisteams moeten werken.

Dit streven is dus niet gehaald. Pas in december 2014 konden drie eenheden – Noord-Holland, Oost-Nederland en Zeeland-West-Brabant – de tientallen vacatures openstellen voor de wijkagenten die ze misten. Korpsleiding en ondernemingsraad hadden afgesproken dat tijdens de politiereorganisatie in principe geen vacatures opengesteld zouden worden, omdat dat onzekerheid mee zou brengen voor het personeel.

De meeste wijkagenten waren nodig in Oost-Nederland: 180 vacatures. Het is verreweg de grootste regio met 81 gemeenten. Daarvan staan er nu nog 30 open. Noord-Holland zette er 100 open, daarvan is de helft nu opgevuld. De regio Zeeland-West-Brabant heeft 50 vacatures waar er 17 van zijn vervuld.

Dat het nog maanden duurde tot die vacatures open werden gesteld, terwijl het gat in de regio’s allang duidelijk was, vindt niemand gek binnen de top van de politie of bij de Centrale Ondernemingsraad. Gery Veldhuis is politiechef in Limburg en hij coördineert op landelijk niveau de wijkagenten. „Volgens de spelregels van de reorganisatie mógen we geen vacatures openstellen”, zegt Veldhuis. „Op een gegeven moment hebben we gezegd: nu kunnen we niet meer op die reorganisatie wachten.”

In de tussentijd hebben heus niet hele wijken zónder wijkagent gezeten, zegt Veldhuis. „Net als bijvoorbeeld bij ziekte neemt een wijkagent dan gewoon tijdelijk een grotere buurt voor zijn rekening.” Bovendien is die één op de vijfduizend maar een gemiddelde. Er zijn altijd lastige wijken waar één wijkagent bij lange na niet genoeg is om grip te houden op een buurt. „In lastige wijken in Maastricht hebben we er zo twee op drieduizend inwoners.”

Er zat, naast wat Opstelten toen ‘mooi’ noemde, ook nog slecht nieuws in die toespraak uit 2010. De tweede norm die hij noemde: wijkagenten zouden 80 procent van hun tijd echt ín de wijk moeten doorbrengen. Op straat of in gesprek bij mensen thuis. In 2010 lag dat straatpercentage, ondermeer door rompslomp op het bureau en een „wildgroei aan formulieren en protocollen” zoals Opstelten zei, rond de 65 procent. Hoewel recente cijfers ontbreken, weet Gery Veldhuis zeker dat die ‘80 procentsnorm’ nog niet overal wordt gehaald. „Sommige van mijn wijkagenten zijn in totaal wel 120 procent van hun tijd in de wijk bezig, maar andere halen met moeite de 65 procent.”