Exodus die blijft groeien

Djibouti, aan de overkant van de Golf van Aden, worstelt met de komst van vluchtende Jemenieten. Het eind van de stroom is niet in zicht, waarschuwen de VN.

Jemenieten komen aan wal in Djibouti, na te zijn overgestoken per dhow, een traditioneel Arabisch schip.
Jemenieten komen aan wal in Djibouti, na te zijn overgestoken per dhow, een traditioneel Arabisch schip. Foto TONY KARUMBA/ afp

Het is al donker als een wit plezierjacht de haven van Djibouti binnenvaart. Het komt uit Jemen en ligt diep: aan boord zijn 130 vluchtelingen – Jemenieten, Saoediërs en Amerikanen. De mannen zitten dicht opeengepakt op het achterdek, de vrouwen in de kleine kajuit. Ze hebben zich tijdens de twaalf uur lange tocht nauwelijks kunnen verroeren.

Voorbij de kranen en de containerschepen wachten ambulances op de kade, met uitgeklapte brancards voor de gewonden. Een man met een kogel in zijn nek is tijdens de boottocht overleden. Eén vrouw heeft beide ogen verloren bij een explosie.

De gewonden worden met loeiende sirenes afgevoerd naar het Al-Rahma ziekenhuis in Djibouti-Stad. Daar zijn de afgelopen weken al meer gewonden binnengebracht, de meeste met schotwonden in hoofd en buik. Iedereen heeft verzorging gekregen of is geopereerd. Sommigen hebben een specialistische behandeling nodig waar het ziekenhuis niet toe in staat is.

Een van hen is Farah Gafar (7), een meisje uit de Jemenitische havenstad Aden met een kogel in haar hoofd. Ze zit naast haar moeder op bed, een groot verband op haar hoofd. Ze is twee weken geleden geopereerd en haar toestand is stabiel. Maar de artsen konden de kogel niet verwijderen, daarvoor is een neurochirurg nodig. „Ze ging met haar vader de straat op om eten zoeken, toen sluipschutters het vuur openden”, vertelt haar moeder, een vrouw in een zwarte chador. „Farah werd geraakt in haar hoofd, mijn man in zijn buik. Het ziekenhuis in Aden kon alleen eerste hulp bieden. Toen besloten we naar Djibouti te vluchten.”

Sinds Saoedi-Arabië vijf weken geleden een luchtoffensief begon om de opmars van de shi’itische Houthi-rebellen in buurland Jemen te stoppen, zijn zeker 334.000 Jemenieten hun huis ontvlucht. Weg uit de grote steden, die het toneel zijn van zware gevechten en luchtaanvallen. Niet alleen de armen, maar vooral ook mensen uit de middenklasse. De meesten hebben hun toevlucht gezocht bij familie op het platteland, waar minder bommen vallen.

Diepe zakken

Veel Jemenieten willen het land uit. Door het gebrek aan water en voedsel dreigt een humanitaire catastrofe. Maar van een massale uittocht is vooralsnog geen sprake; juist door de burgeroorlog en de bombardementen kunnen velen niet weg komen. Brandstof is nauwelijks meer te krijgen en reizen is levensgevaarlijk. Veel wegen zijn geblokkeerd door de Houthi’s, het leger of lokale stammen. Wie het er toch op waagt, moet diepe zakken hebben.

Enkele duizenden Jemenieten zijn erin geslaagd de grens over te steken naar Saoedi-Arabië. Maar de meesten zijn in gammele vissersboten en vrachtschepen de smalle zeestraat overgestoken naar de Hoorn van Afrika. Tot nu toe zijn het er ongeveer 10.000. Maar dat zullen er het komende half jaar nog eens 120.000 worden, verwachten de VN. Het is een omgekeerde exodus. Vorig jaar vertrokken 100.000 mensen nog uit de Hoorn van Afrika om werk te vinden in Jemen of de Golf.

Veel vluchtelingen komen uit het grotendeels verwoeste Aden. Door de Saoedische zeeblokkade moesten ze vaak dagenlang wachten in de haven tot een boot toestemming kreeg om aan te meren. De prijs voor de overtocht is gestegen van 50 naar 200 dollar per persoon.

Sommige boten varen naar Somaliland, maar de meeste zetten koers naar Djibouti, een klein, snikheet woestijnland met 800.000 inwoners, die vrijwel allemaal in de hoofdstad wonen. Het ligt op een geopolitiek kruispunt in de Hoorn van Afrika langs de handelsroute door de Rode Zee en Suez-kanaal, tegenover het Arabisch schiereiland. De VS, Frankrijk (de oude koloniale machthebber), Duitsland en Japan huren er legerbases. De grootste is Camp Lemonnier, waar 4.000 Amerikaanse militairen zijn gelegerd en van waaruit het Pentagon zijn drone-oorlog voert tegen terreurgroepen in Somalië en Jemen.

Ook aan de vluchtelingen probeert Djibouti geld te verdienen. De regering stuurde een brief naar alle buitenlandse ambassades, waarin gevraagd werd om een financiële bijdrage aan de opvang. Maar de activiteiten die in de brief waren opgesomd, zoals het vluchtelingenkamp in het noorden, worden betaald door de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Djibouti stelt alleen de grond beschikbaar.

Visum voor een maand

Vluchtelingen die het zich kunnen veroorloven halen een visum voor een maand en hopen een kamer te vinden in de overvolle hotels. Niemand wil in Djibouti blijven. De werkloosheid is er 60 procent en het land is schreeuwend duur. Een simpele hotelkamer kost 100 dollar per nacht en biedt weinig comfort voor de grote Jemenitische families. Maar ze hebben geen keus.

’s Ochtends, voordat de hitte het leven lamlegt, gaan de mannen op zoek naar een appartement. Of ze brengen een bezoek aan een westerse ambassade in de hoop een visum te krijgen. Na de lunch keren ze terug naar hun hotelkamer om de hele middag qat te kauwen, een plant met een milde oppeppende werking die in Djibouti op iedere straathoek te krijgen is.

Tegen de avond vult de lobby van hotel Al Medina zich langzaam met Jemenieten. Saïd Mohammed (35), een kleine man met een kortgeknipte snor, is op 12 april uit de stad Ibb gevlucht en huurt al weken met vier vrienden een kamer. „We willen een Amerikaans visum aanvragen, maar dat kan alleen in Egypte of Algerije. Egypte geeft echter om politieke redenen ineens geen visa meer aan Jemenieten. Ik hoop dat Algerije ons wel toelaat, want we hebben niet genoeg geld om hier te blijven.”

Sommige vluchtelingen hebben geluk. Zo’n 250 families kregen onderdak in Lootah Village, een gated community voor expats in Djibouti-Stad [zie interview]. Het project is eigendom van Ibrahim Lootah, een bouwmagnaat uit de Golf die veel zaken doet in Djibouti en uit liefdadigheid Jemenitische vluchtelingen helpt. Hij heeft een jacht ter beschikking gesteld, dat om de paar dagen naar Aden vaart om vluchtelingen op te pikken. De prioriteit ligt bij ouderen en gewonden. Hij betaalt 70 procent van hun ziekenhuiskosten. De vluchtelingen krijgen een gratis appartement. De chef-kok van het lokale restaurant verzorgt iedere dag drie gratis maaltijden.

Slapen op de tribune

Zo’n duizend vluchtelingen zijn terechtgekomen in een provisorisch kamp dat de UNHCR heeft opgezet in Obock, een stadje middenin de woestijn. Ze zijn tijdelijk ondergebracht in een onafgebouwd weeshuis en in een stadion. De mannen slapen tussen de muggen op de tribune, de vrouwen op bamboematjes in een bloedhete hal. Maar er wordt hard gewerkt aan een tentenkamp in de desolate vlakte.

Vijftig vissersfamilies van het Jemenitische eiland Brim hebben hun intrek genomen in het weeshuis. Op de binnenplaats staat een tent met 120 geiten, een gift van de lokale bevolking. Stamleider Mursal Ahmed zit met andere mannen in de schaduw qat te kauwen. Op zijn schoot ligt een radio voor het laatste nieuws uit Jemen.

„De Saoediërs hebben ons dorp gebombardeerd nadat we bezoek hadden gekregen van de Houthi’s”, zegt hij. „Gelukkig zijn er geen doden gevallen, maar de vrouwen en kinderen waren doodsbang. Djibouti was de dichtstbijzijnde veilig plek. De situatie is hier goed. Elke familie heeft zijn eigen kamer en we hebben genoeg te eten – wat we over hebben sturen we in onze boten terug naar Jemen. Maar we weigeren te verhuizen naar het tentenkamp.”

Ahmed steunt geen van de partijen in het conflict. „Maar de Golfstaten zijn de voornaamste oorzaak van de problemen.” Nu hij een buitenlandse journalist treft, wil hij wel iets kwijt. „Nu zijn we afhankelijk van de gastvrijheid van Djibouti. Maar dit land kan de toestroom niet aan. Vertel de wereld dat we hulp nodig hebben.”