Een taal leer je makkelijker met een kaartenbak vol fijne herinneringen

Hoe voorkom je, als je een vreemde taal leert, dat je bijna alles wat je leert net zo snel ook weer vergeet? Gabriel Wyner, een Amerikaan die ieder jaar een nieuwe taal leert, schreef daar een boek over.

Wyner zweert bij een ouderwetse kaartenbak, of de moderne versie daarvan, flashcards op de computer. Alles wat je leert of wilt leren (klanken, woorden, voorbeeldzinnen) kun je kwijt op zo’n kaart. Je noteert bijvoorbeeld het Spaanse woord ‘gato’ (kat) op de ene kant en op de andere kant plak je een foto van je eigen kat. Of je schrijft op de voorzijde ‘Me ... las albóndigas’ en op de achterzijde het ontbrekende woord ‘gustan’: ‘Me gustan las albóndigas’ is Spaans voor: ‘Ik hou van gehaktballetjes’.

Wyner vindt het belangrijk dat alles wat je op die kaarten noteert, zo dicht mogelijk ligt bij wat voor jou persoonlijk belangrijk is. ‘Gato’ is gemakkelijker te onthouden als je daarbij denkt aan je eigen kat. ‘Me gustan las albóndigas’ werkt als voorbeeldzin alleen als je goeie herinneringen hebt aan het eten van Spaanse gehaktballetjes. Want: hoe meer je ‘meemaakt’ met een woord, hoe groter de kans dat je het onthoudt, schrijft Wyner.

Want in het brein is alle informatie op allerlei manieren met andere informatie verbonden. Hoe groter het netwerk (woorden, beelden, herinneringen) waar zo’n brokje informatie deel van uitmaakt, hoe kleiner het gevaar dat je het weer vergeet.

Wyner verwijst daarbij naar recent hersenonderzoek. Maar het belangrijkste psychologische onderzoek waar hij zijn kaartenbakmethode op baseert, dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Toen werd aangetoond dat een ‘intervalherhalingssysteem’ de beste manier was om het grote vergeten tegen te gaan.

In het geval van een kaartenbak betekent dat dat je eens in de zoveel tijd naar die kaarten moet kijken en moet nagaan of je nog weet wat er op de achterkant staat. Dat moet je met enige regelmaat doen. Eerst al een dag nadat je die kaart gemaakt hebt, daarna na een paar dagen, daarna na een week, daarna na een maand, etcetera. Als je bij een kaart de achterkant niet (meer) weet, is het ‘terug naar af’.

Deze methode, hoe luchtig ook gebracht in dit boek, veronderstelt een flinke dosis discipline. En een redelijke mate van creativiteit en inzicht in jezelf: welke woorden en voorbeeldzinnen zijn voor mij relevant?

Gelukkig is er ook nog het hulpmiddel van de frequentiewoordenboeken, die inmiddels voor een heleboel talen op de markt zijn gebracht. Die geven de (bijvoorbeeld) duizend meest voorkomende woorden van een taal, met betekenissen en voorbeeldzinnen. Dat kan ook een goed begin zijn, vindt Wyner.

Het goede nieuws is: als je de duizend meest voorkomende woorden kent, begrijp je 85 procent van wat je hoort. Het slechte nieuws is: die overige 15 procent bevat helaas wel de meest informatieve woorden.

Wyner gebruikt graag visuele ezelsbruggetjes bij het leren van de beruchte onregelmatigheden in een taal, zoals mannelijk en vrouwelijk in het Spaans. Je moet je dan bij alle mannelijke begrippen voorstellen dat ze (bijvoorbeeld) exploderen, en van alle vrouwelijke begrippen dat ze (bijvoorbeeld) in brand vliegen. Zo zou je je het woordgeslacht sneller eigen kunnen maken.

Wyner vermeldt niet of die associaties op den duur ook weer verdwijnen. Of zie je, ook jaren later nog, iedere keer als je in Spanje koffie (mannelijk) bestelt, in gedachten een exploderend kopje koffie voor je?