Opinie

Een middel tegen armzalige debatjes over de rechtsstaat

Het concept ‘rechtsstaat‘ lijkt wel van rubber. Folkert Jensma ziet wel wat in een index voor behoorlijk overheidshandelen.

Valt empirisch vast te stellen of het goed gaat met de rechtsstaat? Of blijft het een domineesonderwerp, waarin voorkeuren en beelden domineren? De misdaad daalt al tien jaar, maar nooit zo snel als vorig jaar, zo rekende het CBS vorige maand voor. Driewerf hoera dus. Intussen voelt één op de drie burgers zich onveilig. Feiten en perceptie lopen hier dus uiteen. Maar veel media en politici houden zich liever aan de verwachtingen van lezers of kijkers. Daar vechten angst en verontwaardiging om de voorrang. Hoe veiliger het wordt, hoe banger en bozer, lijkt het wel. Media blijven binnen dat frame. ‘De helft van de slachtoffers van inbraak haalt een knuppel in huis’, voorpagina Algemeen Dagblad.

Iets dergelijks doet zich voor bij de rechtsstaat. Ook daar is een dovendialoog gaande. Veel kabinetsmaatregelen worden per definitie als een gevaar voor de rechtsstaat gezien. Vorige maand stelde Alex Brenninkmeijer, oud-Ombudsman, nog dat de rechtsstaat te complex is, te weinig bescherming biedt, te repressief is en onvoldoende respect toont voor grondrechten. Voor een ‘stresstest’ zou de rechtsstaat falen. Ook omdat het politieke bestuur onderhevig is aan populisme en rechtsstaatvijandige invloeden. Tegelijk noteert ook hij dat Nederland er in internationale vergelijkingen goed vanaf komt. Altijd in de toptien, vaak in de topvijf, qua rechtsbescherming, rechtspraak en opsporing.

Kennelijk is het concept ‘rechtsstaat’ van rubber – het is maar wat je ervan verwacht of wie dat het scherpst onder woorden kan brengen. In de kern is de rechtsstaat een ideaal, een ‘onrustig bezit’ dat het moet hebben van zelfdiscipline en democratische gezindheid. De staat moet zich immers vrijwillig aan de wet houden en de burger zowel controleren, veiligheid bieden als beschermen, ook tegen de staat zelf. De wetgever moet zowel doelmatig, proportioneel als humaan optreden. De burger wil tegelijkertijd volkomen vrij zijn en de vrijheid van de ander stevig ingeperkt hebben.

De rechtsstaat als evenwichtsoefening, een Gesamtkunstwerk, een ‘gedeelde rechtsorde’, waarin politiek en recht elkaar aanvullen en ieder zich toetsbaar opstelt. Dat levert dus per definitie een normatief debat op, dat hoog kan oplopen. Vorige week werd Brenninkmeijers’ kritiek in de Volkskrant nog ‘opgeblazen ongenoegen’ genoemd. Bescherming van de burger via grondrechten is niet meer dan officieel wensdenken, waar de politiek aan voorbij kan gaan. Zulke debatjes zijn voorspelbaar en armzalig tegelijk.

Nu stond er in het Nederlands Juristenblad van 24 april een zeldzaam praktisch artikel, dat het debat op geheel nieuwe leest kan schoeien. Twee strategisch adviseurs van het ministerie van Veiligheid en Justitie, Krijn van Beek en Max Kommer, verzonnen daarin een geheel nieuwe, empirische meetlat, gericht op de output van het justitieapparaat. Zij stelden een lijst van zestien indicatoren op voor ‘veiligheid en rechtvaardigheid’. Zij hakken de rechtsstaat in vier thema’s: veiligheid, juridische ruimte, rechtstatelijkheid en veerkracht. Behalve de bekende harde cijfers over aantallen misdaden, slachtoffers, doden, mishandelde kinderen, gevallen van corruptie, ten onrechte opgesloten burgers, rampen en aanslagen nemen ze ook belevingsfactoren mee. Onveiligheidsgevoel, mate van vertrouwen in het rechtsysteem, mate van ‘vrede hebben’ met de uitkomst van een conflict. Als belangrijke indicator van ‘rechtstatelijkheid’ nemen ze persvrijheid, wat zowel terecht als verfrissend is.

Ik miste nog privacy als rechtstatelijke graadmeter. Bijvoorbeeld het aantal waarschuwingen dat het College bescherming persoonsgegevens gaf. Of wetgevingskwaliteit – de mate waarin een kabinet adviezen van de Raad van State opvolgde. Of de Nationale Ombudsman volgt. Diens werk levert jaarlijks een eigen ‘behoorlijkheidsindex’ van overheidshandelen. Met zo’n empirische maatstaf zouden heel wat schuttersputjes overbodig worden. En valt de realiteit van de rechtsstaat ook beter te begrijpen.