Dit is het familieverhaal van Poetin, verteld door Poetin

President Vladimir Poetin schreef dit verhaal in het Russische tijdschrift De Russische Pionier. Hij vertelt over de ‘heldendaden’ van zijn ouders in de oorlog. Zijn vader raakte invalide, zijn broer stierf aan difterie.

Oefening van de parade in Moskou om de zege 70 jaar geleden in de Tweede Wereldoorlog vandaag te vieren.
Oefening van de parade in Moskou om de zege 70 jaar geleden in de Tweede Wereldoorlog vandaag te vieren. Foto Pavel Golovkin / AP

Vader liep er eerlijk gezegd niet echt mee te koop. Het ging meer zo: als de volwassenen met elkaar herinneringen ophaalden, zat ik er gewoon bij. Alles wat ik weet over de oorlog, over wat er met ons gezin is gebeurd, heb ik uit dit soort gesprekken tussen volwassenen onderling. Soms richtten ze ook het woord tot mij.

Toen de oorlog begon, werkte vader in een wapenfabriek en hij werd daarom niet opgeroepen. Maar hij heeft toen speciaal verzocht om lid te mogen worden van de partij, en om naar het front te mogen. Zo kwam hij terecht bij een sabotage-eenheid van de NKVD (binnenlandse veiligheidsdienst, red.). Een kleine eenheid. Het ging om 28 man, vertelde vader, die achter het front moesten opereren. Bruggen opblazen, spoorverbindingen saboteren... Alleen zijn ze bijna onmiddellijk in een hinderlaag gelopen. Iemand had ze verraden. Nadat ze door een dorpje waren getrokken, werden ze op de terugweg opgewacht door de fascisten, die meteen achter ze aangingen. Hij wist te overleven door zich in een moeras te verstoppen, en ingegraven in de modder door een rietstengel te ademen. Dat heeft hij me zelf verteld. Op een paar passen hoorde hij de Duitse soldaten voorbijkomen, en de honden blaffen.

Ik kan me goed herinneren dat hij vertelde dat hun groep geleid werd door een (etnische, red.) Duitser. Een Sovjetburger, maar wel een Duitser.

Een paar jaar geleden heb ik van het ministerie van Defensie het dossier van deze groep gekregen. Ik heb thuis in Novo-Ogarjovo nog een kopie liggen. Het is een lijst van de hele groep, voornamen, achternamen, vadersnamen, en korte beschrijvingen. Ja, het waren inderdaad 28 man, met een Duitser aan het hoofd. Precies zoals hij altijd had verteld.

Van die 28 man zijn er vier van hun missie teruggekeerd, 24 kwamen er om.

Het beleg van Leningrad

Daarna werd hij naar het reguliere leger en de Nevski Pjatatsjok gestuurd. Dat was misschien wel de allergevaarlijkste plaats van het hele beleg (van Leningrad, red.) Ons leger verdedigde daar een heel klein bruggenhoofd van 4 bij nauwelijks 2 kilometer. De gedachte was om het beleg van hieruit te doorbreken. Maar dat is niet gebeurd. Het beleg is uiteindelijk op een andere plaats gebroken. Toch hebben ze standgehouden, lang standgehouden, er is zwaar gevochten. Heel zwaar. Ze werden voortdurend van alle kanten beschoten, vanuit de omliggende heuvels. De Duitsers probeerden de Nevski Pjatatsjok van de aardbodem weg te vagen. Tot de dag van vandaag staat de grond daar stijf van het metaal.

Vader vertelde ook hoe hij daar gewond is geraakt. Zwaargewond. Hij heeft de rest van zijn leven scherven in zijn been gehad: die hebben ze er toen niet allemaal uitgehaald. Zijn been bleef opspelen, zijn voet heeft hij nooit meer kunnen buigen. Ze hadden kleine scherfjes laten zitten om het bot te sparen. Zijn been is godzijdank behouden. Hij kreeg de status van oorlogsinvalide van de tweede graad. Met die status heeft hij uiteindelijk een eigen woning gekregen. De eerste woning voor onszelf. Een klein tweekamerappartement. Dat was uiteraard niet meteen na de oorlog, maar toen ik al bij de KGB zat. En die flat was niet voor mij, maar voor mijn vader. Wat een vreugde!

Die verwonding zat zo. Vader was met een kameraad opnieuw achter de linie van de vijand gekropen. Wat er toen gebeurde was om te huilen en te lachen tegelijk: ze waren tot aan de Duitse bunker doorgedrongen toen daar, zo vertelde vader, een stevige Duitser uit kwam en hen aanstaarde ... opstaan konden ze niet want ze werden met een mitrailleur onder schot gehouden. Die vent, vertelde hij, nam ons aandachtig op, pakte eerst één granaat en toen nog een en gooide die vervolgens allebei naar ons. Nou en toen.... Het leven is zo simpel, en zo wreed.

Maar wat was zijn grootste probleem toen hij bijkwam? Dat het winter was! De Neva was bedekt met ijs, hij moest op een of andere manier naar de andere kant komen, daar was medische hulp. Op eigen kracht kon hij dat natuurlijk niet.

De redder blijkt een buurman

Wel slaagde hij erin om bij zijn eigen mensen terug te keren. Maar daar was weinig animo om hem naar de andere kant te slepen, want de Neva lag van alle kanten onder vuur. De kans om de overkant te halen was nagenoeg nul. Maar stomtoevallig bleek daar ook zijn oude buurman uit Petrodvorets te zitten. En die buurman heeft hem, zonder een moment te twijfelen, naar de overkant gesleept. Tot aan het hospitaal aan toe. De buurman heeft gewacht tot hij was geopereerd en vetrok toen met de woorden: „Nou dat was het dan, jij blijft leven en ik ga maar weer eens sterven.”

En hij ging terug. Ik heb mijn vader wel gevraagd: „Is hij dan echt omgekomen?” Hij kwam er vaak op terug, hij werd erdoor gekweld. Ze waren elkaar uit het oog verloren en vader ging ervan uit dat de buurman was omgekomen. Maar ergens in de jaren zestig – ik kan me het jaar niet precies herinneren, ik was nog klein, ergens aan het begin van de jaren zestig kwam hij plots thuis, ging op een stoel zitten en begon te huilen. Hij was zijn redder tegengekomen. In een winkel. In Leningrad. Toevallig. Hij was daar binnengelopen om boodschappen te doen en zag hem daar. Hoe kan het dat beiden precies op dat moment precies naar die winkel gingen? Een kans van één op een miljoen...

Moeder vertelde hoe ze vader bezocht in het ziekenhuis waar hij lag. Ze hadden een kindje van drie. Er was honger, de stad werd belegerd ... Vader gaf haar stiekem zijn ziekenhuisrantsoen, de artsen en verpleegsters mochten van niets weten. Zij smokkelde het mee om het kindje te voeden. Maar toen hij in het ziekenhuis flauw begon te vallen van de honger, begrepen de artsen en verpleegsters hoe het zat en lieten haar niet meer toe.

Het onbekende broertje sterft

Daarna is het kind bij haar weggehaald. Dat was een officiële maatregel om minderjarige kinderen van de hongersdood te redden. In afwachting van evacuatie werden de kinderen in tehuizen geplaatst. De ouders werd niets gevraagd.

Daar is het kindje ziek geworden – difterie, volgens moeder – en bezweken. Hun werd zelfs niet verteld waar hij was begraven. Ze zijn er nooit achter gekomen. Vorig jaar hebben mij onbekende mensen, op eigen initiatief, in archieven gezocht en documenten gevonden over mijn broer. Het bleek inderdaad mijn broer te zijn. Want ik wist dat mijn ouders – toen ze uit Petrodvorets waren gevlucht voor de oprukkende Duitse troepen – bij kennissen hadden gewoond. Zelfs hun adres wist ik. Niet alleen het adres klopte, ook de volledige naam en het geboortejaar kwamen overeen. Natuurlijk was het mijn broer. Ook waar hij was begraven stond er: de Piskarjovka-begraafplaats (een van de massabegraafplaatsen met slachtoffers van het Beleg van Leningrad, red.). Zelfs het perceel was aangegeven.

Mijn ouders hadden ze niets verteld. Maar zo ging dat kennelijk in die tijd.

Alles wat mijn ouders over de oorlog vertelden was dus waar. Geen woord hebben ze verzonnen. Ook over mijn broer. Ook over de buurman. Ook over de Duitser – de leider van de groep. Alles klopte één op één. Op een onwaarschijnlijke manier is alles bevestigd.

Nadat de baby was weggehaald en moeder alleen was achtergebleven heeft vader zodra hij kon, zijn krukken gepakt en is naar huis gegaan. Voor de deur zag hij dat hospikken bezig waren lijken het portiek uit te dragen. Daar was ook moeder bij. Dichterbij gekomen, zag vader dat ze nog ademde. „Maar ze leeft nog!”, riep hij. „Die gaat onderweg de pijp uit”, was het antwoord. Hij vertelde altijd hoe hij hen met zijn krukken te lijf ging en ze dwong om haar naar binnen te dragen. „Zoals je wilt”, zeiden ze, „maar we komen hier de eerste weken niet meer terug. Zoek het zelf maar uit.” Hij heeft haar verzorgd en ze is blijven leven. Zij heeft nog tot 1999 geleefd, hij is eind 1998 gestorven.

Na het beleg (dat duurde tot januari 1944, red.), zijn ze naar de streek van hun ouders verhuisd en hebben daar tot het einde van de oorlog gewoond. Vader kwam uit een vrij groot gezin. Hij had zes broers, vijf hebben het niet overleefd. Dat was een ramp voor het gezin. Ook aan moederskant kwamen familieleden om. Ik was een nakomertje. Toen ik werd geboren (in 1952, red.) was ze veertig.

Gewoon arbeidersvolk, net als wij

Er is bij ons geen gezin te vinden dat niet iemand heeft verloren. Met alle verdriet, leed en drama van dien. Maar ze koesterden, verbazend genoeg, geen haat jegens de vijand. En dat heb ik eerlijk gezegd nooit helemaal kunnen bevatten. Mijn moeder was sowieso een heel zachtaardig, goed mens. Ze zei altijd: „Hoe zou ik die soldaten nou moeten haten? Het waren eenvoudige mensen, die net zo goed stierven in de oorlog als wij.” Dat is zo treffend. Wij groeiden op met Sovjetboeken en Sovjetfilms ... en wij voelden haat. Maar zij had dat om een of andere reden helemaal niet. En haar woorden heb ik altijd heel goed onthouden: „Wat zouden we tegen ze moeten hebben. Zij waren arbeidersvolk, net als wij. Ze werden ook maar naar het front gejaagd.”

Die woorden blijven me altijd bij.