Editie Erasmus al eeuwen achterhaald

illustratie: cyprian koscielnak

Het is moeilijk afscheid te nemen van de eigen mythologie, zo blijkt uit de brieven over Griekenland en de Europese Oorsprongsmythe in reactie op mijn artikel Niks bakermat van de beschaving (25/4). Wat helpt, zijn de historische feiten.

In tegenstelling tot wat Harm Goris schrijft (2/5), was Aristoteles in de Middeleeuwen lange tijd verboden aan de universiteit van Parijs, ook al omdat er geregeld knokpartijen ontstonden tussen de geleerden die zijn teksten gebruikten dan wel afwezen in hun disputen over het Godsbewijs.

Veel brieven richtten zich bovendien op de vertaling van het Nieuwe Testament in het Grieks door Erasmus. Naar dat ‘Griekse’ Nieuwe Testament verwijst briefschrijver Gerard van der Leeuw (2/5). In werkelijkheid was sedert 400 de enige aanvaarde Bijbeltekst in het Westen de Latijnse vertaling, bekend als de Vulgaat. Erasmus wilde ook geen Griekse versie van de Bijbel maken (hij leerde pas later Grieks), maar ‘de beste Latijnse editie’. Gaandeweg besloot hij de handvol corrupte en onvolledige Griekse manuscripten tot een nieuwe oertekst te smeden, waarbij hij de lacunes aanvulde met vertalingen uit het Latijn naar het Grieks. De textus receptus waar Erasmus de basis voor legde, was zo krakkemikkig dat hij als Griekse editie van het Nieuwe Testament al bijna twee eeuwen wetenschappelijk geheel achterhaald is. Overigens hield de Rooms-Katholieke Kerk vanaf het Concilie van Trente in 1546 (waar de Griekse tekst werd verboden) tot 1943 vast aan de Latijnse tekst als enige gezaghebbende versie van de Bijbel. Zo blijkt opnieuw: mythen zijn antropologisch interessant, politiek nuttig en cultureel bevredigend, maar nimmer waar.