De lef van Wilders: kiest de krant partij voor de PVV?

Lof voor Geert Wilders in NRC Handelsblad? De krant die ooit fameus een opiniestuk van hem weigerde omdat er vooral kreten en geen argumenten in stonden?

Het commentaar prees Geert Wilders op 5 mei, Bevrijdingsdag, voor zijn „lef” om niet te „zwichten voor bedreigingen” wegens zijn anti-islamitische campagne (Westergaard, Wilders en ieders recht op het vrije woord, 5 mei).

Op de redactie leidde dat tot discussie. Waarom betuigt de krant respect voor een politicus die in de loop der jaren juist in alle toonaarden is afgewezen? NRC Handelsblad hekelde eerder juist de „opruiende taal” van Wilders (De toon van Wilders, 28 juli 2011), stelde vast dat de PVV van xenofobie „haar core business geeft gemaakt” (Racisme in Nederland – het valt niet meer te ontkennen, 6 december 2014), kapittelde de partij (met één lid) als „ondemocratisch” en „ongeloofwaardig” (Ondemocratische PVV, 24 november 2010, gevolgd door Ongeloofwaardige PVV, 17 november 2010) . Wilders’ ‘minder Marokkanen’-opmerking ademde de sfeer van „deportatie”. Dus hoezo nu opeens respect?

Ook op Twitter klonk wat meesmuilende verwondering. Ging het linkse, politiekcorrecte NRC Handelsblad nu eindelijk overstag inzake Wilders’ boodschap?

Dat laatste absoluut niet. Ook dit commentaar herhaalde weer, in plechtige herdenkingstaal, dat „vrijheid alleen vrijheid is in combinatie met tolerantie”, ook voor andermans religie. Lees: de islam. Wat dat betreft niks nieuws onder de zon van het commentaar.

Maar opmerkelijk was wel dat de krant Wilders en de bedreigde Deense tekenaar Westergaard op één lijn stelde: „De lef van Westergaard en Wilders, die beiden op de dodenlijsten van terreurbewegingen staan, verdient respect.”

Tegenargumenten: een cartoonist die min of meer per ongeluk in een crisis belandt, is niet te vergelijken met een programmatische politicus die zelf de confrontatie zoekt; lef is op zichzelf nog geen deugd; respect voor Wilders’ kennelijke standvastigheid houdt impliciet respect in voor zijn standpunten.

Die argumenten missen denk ik het punt dat het commentaar wilde maken. Namelijk dat, hoe abject Wilders’ standpunten ook zijn, het een klap voor de democratie en de vrijheid van meningsuiting zou zijn als een politicus onder dreiging van terreur zijn mond zou gaan houden, of opeens alleen de zaak van, bijvoorbeeld, zonnepanelen of veilige kruispunten zou bepleiten.

Louter in dát opzicht betuigde de krant steun aan deze man, die op grond van zijn ideologische opvattingen al jaren geen normaal leven meer kan leiden.

Ik heb er wel een kanttekening bij: de formulering „respect” voor „lef”, die veel van de kritische reacties losmaakte, lijkt mij hier ongelukkig. Die laatste term heeft een connotatie van bewondering voor andermans (of eigen) durf of bravoure. „Wat dit land nodig heeft, is lef”, zei minister Fons van der Stee (CDA) manhaftig in de jaren tachtig. Een kwestie van lef heet een stijlgids (van NRC-commentator Joyce Roodnat) voor vrouwen boven de veertig: niet zeuren, maar doorzetten en je vooral niet schamen.

Maar dat lijkt me in het geval van Wilders het halve verhaal. Het hoofdartikel stelde terecht dat de PVV-leider al jaren geen stap kan zetten zonder bewakers. Dat is in menselijk opzicht vreselijk, in maatschappelijk opzicht onverteerbaar. Met een beklemmende tragiek: voor Wilders zit er weinig anders op dan de vlucht naar voren. In reactie op de jongste aanslag in Amerika zei hij: „Ik zal het gaspedaal nog wat verder indrukken.” Dus: al dan niet noodgedwongen escalatie.

Kortom, wijzen op Wilders’ recht op vrije meningsuiting, of die van de bedreigde tekenaar, heeft ook altijd een tragisch aspect: empathie met hun benarde en juist onvrije positie. Dat is complexer dan het woordje „lef” aankan.

Intussen riep de kwestie een vraag op die ik ook wel van lezers krijg: waarom worden de hoofdartikelen niet ondertekend? Wie vindt dit eigenlijk?

Klassiek antwoord: het commentaar is geen column, het vertolkt niet de mening van een individu, maar die van ‘de krant’. Het is ook geen collectieve mening – redacteuren zijn het er vaak mee oneens, en zijn niet gebonden aan de letter ervan – maar een institutionele opvatting. Een krant heeft, als het goed is, een eigen identiteit en wereldbeschouwing die meer is dan een verzameling individuele meningen. In het geval van NRC Handelsblad, van origine: een liberale, seculier democratische identiteit.

Mij lijkt dat nog steeds de moeite waard, juist in een mediawereld waarin het meningenkoor van columnisten, met naam en fotootje (zie boven) al oorverdovend is geworden. Maar ja, die verdediging staat wel onder druk, ook al omdat media zelf, inclusief NRC Handelsblad, journalisten steeds meer een eigen stem en gezicht geven. Dat maakt de krant persoonlijker, geeft journalisten meer armslag, en bindt (hopelijk) lezers.

De keerzijde daarvan is dat het dan wel steeds moeilijker wordt om tegen de trend in een gezichtsloze mening ‘van de krant’ te verdedigen. Het is een beetje als met de Oranjes: de roep om een ‘menselijke’ koning botst nogal met het verbod op majesteitsschennis (waar deze krant zich deze week tegen keerde).

Voor Nederlandse kranten komt daar bij dat de commentaren worden geschreven door redacteuren die vaak, onder naam, ook andere artikelen schrijven. Dat is niet zo in de Verenigde Staten, waar bijvoorbeeld de hoofdredacteur van The New York Times over het nieuws gaat, maar de uitgever over de editorials.

Sommige kranten ondertekenen het commentaar inmiddels, zonder merkbare anarchie. Toch vind ik het ongesigneerde commentaar een goede traditie. Een krant die meer wil zijn dan een verzameling losse stukken zal een herkenbare ideële kern moeten houden. Het commentaar dient dat doel.

Cruciaal is dan wel dat de krant, met alle diverse stemmen, als geheel ook een coherente blik op de wereld blijft bieden. Anders draait het commentaar als een los wieltje in de machine; zoiets als het koningshuis volgens republikeinen.

    • Sjoerd de Jong