De Hoogstraat heeft geleefd

Winkelend zaterdags publiek in de Hoogstraat ter hoogte van de Vlasmarkt, Rotterdam ca 1935.
Winkelend zaterdags publiek in de Hoogstraat ter hoogte van de Vlasmarkt, Rotterdam ca 1935. Foto’s Spaarnestad, BeeldbankWO2/Dia Archief Mr. A. Hustinx

Elke kaart stelt een woning voor, op elke kaart staan de namen van bewoners genoteerd en elke kaart draagt een stempel in blokletters van blauwe inkt: VERWOEST. De Hoogstraat in Rotterdam. Een kilometer lang, van het Oostplein tot het Rode Zand. Smal, saai en armoedig in het oosten. Iets minder smal en een stuk eleganter in het westen. In de huizen van nummer 3 tot en met 400 wonen honderden mensen. Dit is vanouds het hart van de stad. De winkels, de cafés en de bioscopen lokken dagelijks duizenden bezoekers naar de straat. Ook in het nogal gure Pinksterweekend van 12 en 13 mei 1940. Een dag later, na half twee ’s middags, is er niets meer van over.

In het stadsarchief van Rotterdam ligt de papieren weerslag van het bombardement waarmee voor Nederland de oorlog eindigde en de bezetting begon. Op een doordeweekse dinsdag werd een driehoek in het hart van de stad verwoest door explosies en brand. Tienduizenden huizen, complete straten gingen in vlammen op.

Maar de Hoogstraat heeft geleefd. Op foto’s, film, in kranten, documenten en in de herinnering van de enkelingen die nog leven, vind je sporen van de dagen, de jaren voor 14 mei 1940. Dit is het idee: zoals de inwoners van Pompeï in het jaar 79 voor de eeuwigheid werden bewaard door de lava, zo willen we de Hoogstraat in het voorjaar van 1940 vastleggen.

Daar vinden we de sporen van vuurstokers en tremmers, groenteboeren en vishandelaren, kermisreizigers en wafelbakkers, caféhouders, fotografen, modeverkopers, tandartsen en een bioscoopdirecteur. In de huizen zien we kinderen geboren worden – en akelig vaak ook heel jong weer sterven. In kleine, overvolle pensions treffen we jonge zeelui, (vooral Duitse) immigranten en oude steuntrekkers.

Dames flaneren langs de etalages van Wisbrun & Lifmann of Lampe. Misschien wenden hun echtgenoten even het hoofd af bij de corsetten van Coppers of de galanterieën van Nathan Aandagt. Bloemenverkopers lopen met hun manden over de stoep. Jongens duwen handkarren door de massa – mag niet, ze horen hem te trekken. De Hoogstraat is in de jaren 20 al zo druk dat het stadsbestuur auto’s gaat weren en bordjes ophangt: Rechts loopen. Voor westernbioscoop Asta staan altijd rijen; de voorstelling is doorlopend en de jongens die te lang binnen blijven, worden er door de zaalwacht uit gejaagd. Peter Troost, nu negentig, is er in die tijd piccolo en gaat met een bak vol pinda’s, toffees en losse sigaretten op zijn buik langs de rijen.

Wat wonen er veel katholieken in de straat! Strikt genomen ligt Rotterdam boven de grote rivieren, maar sinds het eind van de negentiende eeuw is een stroom migranten uit het zuiden van het land naar de grote stad getrokken. Uit de Hoogstraat zelf zijn de kerken al een paar jaar verdwenen – waar de Waalse kerk was, staat nu de winkel van C&A – maar de Laurenskerk torent nog altijd boven de straat uit.

Sommige immigranten komen niet verder dan ‘koopman in ongeregelde goederen’ of ‘los werkman’, of erger: een uitkering van de dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon. Of ze zijn afhankelijk van het kolengeld (1,30 gulden per week) en de wintertoeslagen van de kerk. Anderen klimmen snel op, beginnen een winkeltje en zien hun kinderen naar een goede school en hun kleinkinderen naar de universiteit gaan.

In de Hoogstraat wonen en werken ook veel Joden. immigranten (op de gezinskaarten van het archief aangeduid als VREEMD) en Nederlanders. Het zoeken van hun sporen maakt moedeloos: ze zijn bijna allemaal een paar jaar na het bombardement opgepakt, gedeporteerd en vermoord in een van de concentratiekampen. In het begin van de straat, waar ooit het ziekenhuis en het oudemannenhuis stond, is in 1939 een provisorisch tehuis voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland ingericht. Piepjong zijn ze, 15, 16, 17, en vrijwel zonder uitzondering eindigt hun leven in Auschwitz of Sobibor.

Karel Abbriata herinnert zich dat hij als driejarig jongetje met zijn half-Italiaans, half-Indische moeder en oudere broer Willem drie dagen en nachten in de kelder van het modewarenhuis Esders aan de overkant heeft doorgebracht voor ze werden bevrijd. Door het bombardement zijn naar schatting 800 à 900 mensen omgekomen. Is de Dominicaner broeder Franciscus Koemans een van hen? Hij woont in de pastorie aan het westelijke eind van de straat en sterft drie weken na het bombardement. Of de 61-jarige Anna de Lange, die op 14 mei 1940 sterft? Het zou mooi zijn als we het wisten.