De goden bestaan zolang we verliefd worden

Zijn laatste boek, Godin, held, doet het zowel bij lezers als bij critici erg goed en is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Een gesprek over succes, seksscènes, en de zwaarte van Peek & Cloppenburg. „Om schrijven te leren zoals ik het heb gedaan, dat is niet gratis.”

Gustaaf Peek
Gustaaf Peek Foto Merlijn doomernik

De schrijver zit in een peinzende periode. En dat terwijl het leven hem juist op dit moment goedgezind lijkt te zijn. Ga maar na. Godin, held, de vierde roman van Gustaaf Peek, is heel goed ontvangen. Weliswaar kregen zijn eerdere boeken ook positieve kritieken, dit keer weet hij ook het grote publiek te bereiken. Sinds de verschijning van de even ontroerende als opwindende roman over de minnaars Tessa en Marius een half jaar geleden zijn er 38.000 exemplaren van verkocht, daar waar van zijn debuut Armin uit 2006 slechts 1.250 exemplaren zijn gedrukt. En nu is Peek genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs die komende dinsdag wordt uitgereikt – de aanleiding voor dit gesprek.

Gustaaf Peek (40) woont in een rustig appartement boven het eindeloze geheen-en-weer van de Amsterdamse Vijzelstraat. Het is ruim en modern ingericht. Veel wit, veel boeken. Zijn vrouw, fotograaf Maaike (Maria) Hermes, werkt in een kamer verderop. Hun dochtertje Maya is naar school. Groep 1. Ze is vierenhalf.

„Iedereen houdt me het succes onder mijn neus, maar ik zie eigenlijk lege handen”, vertelt Peek aan de houten eettafel. „Wat is succes? Natuurlijk, ik vind het fijn dat ik boeken verkoop, royalty’s kan ontvangen en kan optreden, maar er is ook nog iets vaags aan succes, het impliceert dat iets me is gelukt. Maar wat? Boeken schreef ik al, ik heb niets gedaan aan het feit dat ik ze nu verkoop.”

Sisyfusarbeid noemt hij het. De arme drommel uit de Griekse mythologie die elke keer weer het rotsblok de berg opduwt, maar dan zoals Albert Camus het uitlegde: Sisyphus is geen trieste man, zonder goede moed zou hij beneden blijven staan. „Ik zie er iets nobels in. Hoe trots ik ook ben op een boek, het is tegelijk een falen want ik moet er nog eentje maken, en nog een. Als mens zoek je zelf de kwelling op in het leven. Dat is wat een boek oplevert: een excuus om nog een keer te duwen.”

Na het overlijden van zijn grootmoeder ontving Peek een legaat waarmee hij zich vanaf zijn studententijd kon permitteren als schrijver te leven. Peek stamt uit de Peek & Cloppenburg-familie: zijn betovergrootvader richtte de kledingketen op. Als hij zijn uitgaven streng in de hand hield, had hij jaarlijks een ‘heel handsome bedrag’. „Het voelde in die jaren alsof ik in een grot zat. Ik was alleen maar aan het schrijven, lezen, piekeren en proberen.”

„In een maniakaal tempo” schreef hij zijn eerste drie boeken. Er was groot ongeduld, een geldingsdrang, mede aangewakkerd door zijn inmiddels overleden stugge, negatieve vader. Nadat Peek eerst een tijd gedichten had geschreven, besloot hij dat hij binnen zes jaar een uitgever wilde hebben en dat lukte. Ternauwernood. Armin verscheen in 2006, een roman over de laatste dagen van een Lebensborn-kliniek, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geprobeerd zuivere ariërs te creëren. Twee jaar later schreef hij over de ramp bij Dover waarbij 58 illegale Chinezen stikten in een tomatencontainer. In 2010, toen Ik was Amerika verscheen, een verhaal over een Duitse krijgsgevangene die in een kamp in de VS werd opgesloten, wist hij dat hij het rustiger aan moest doen. Maar ja, toen kwam de kans om het scenario te schrijven voor de speelfilm Gluckauf en ondertussen werkte hij aan Godin, held. Zijn hoge productie is geen kwestie van discipline weet hij nu, „het is een manie”. „Ik heb me altijd voorgehouden dat ik mezelf kon maken. Dat is toch eigenlijk zottigheid. De selfmade man. Dat idee had ik nodig – heb ik nog steeds nodig. Ik zie deze tijd als een herstelperiode, misschien zijn de dingen toe aan herevaluatie.”

‘Godin, held’ is een heel ander boek dan uw eerdere boeken. Het is een achterwaarts vertelde liefdesgeschiedenis met veel expliciete seksscènes. Waarom moest dit boek er komen?

„Het ene boek komt bij mij altijd op zeer losse wijze voort uit het andere. In ‘Ik was Amerika’ beschreef ik een romance en dat had me gegrepen. Ik zag een man en een vrouw voor me. Ze waren al wat ouder en het voelde alsof hun tijd samen op was. Dat intrigeerde me.”

Begint u daarom met het einde?

„Toen ik begon wist ik nog niet wie ze waren toen ze jong waren en elkaar ontmoetten. Maar vooral wilde ik de romantische clichés en plot vermijden, dat kon door met het einde te beginnen, het benadrukte de eindigheid van de liefde. Ik wil altijd strakke kaders als ik schrijf. Voordat ik begin teken ik mijn boek uit op een A4’tje. Ik had de romance, de man en vrouw op leeftijd en de omgekeerde chronologie. Ik hou van hele strenge borders en daartussen mag ik los.”

Wat wilde u te pakken krijgen?

„Intimiteit. Er zijn ontelbaar veel verhalen, films, tv-programma’s over de liefde, over romantiek, maar wat we werkelijk ervaren als intiem, delen we niet. Liefde is zo iets groots. Als ik het bij mezelf zie, bij anderen om me heen zie. Door de liefde veranderen mensen. Ze doen andere dingen. Stomme dingen, gekke dingen, geweldige dingen. Wat is dat?”

U beschrijft veel expliciete seksscènes…

„Omdat dat is wat we doen. Twee mensen voelen zich aangetrokken tot elkaar. Mensen communiceren heel direct als ze vrijen, heel naakt zo je wilt. Het heeft een rol. Het is iets belangrijks. Het is moeilijk te omschrijven, dat maakt het voor mij als auteur fijn, maar ik wilde het intieme domein betreden, en nou: daar is-ie dan. En elke vrijpartij zegt weer iets anders. Het zegt iets over de man en de vrouw op dat moment, hoe ze zijn, wat ze voelen, hoe ze zijn ten opzichte van elkaar.”

U heeft het over ‘pik’ en ‘neuken’ en „alleen mijn held mag in mijn mond spuiten”.

„Als schrijver schrijf ik dat ze vrijen, als zij zelf aan het woord zijn in het boek dan neuken ze en gebruiken ze pornowoorden. Ik wil mijn personages altijd recht doen, dat is heel belangrijk. Daarmee schakel ik mezelf moreel uit, ik word biechtvader. Ik wil ze niet straffen, ik wil ze niet pakken, ik moet ze ontsluiten en ik moet dat fair doen. Dat doe ik voor mijn gevoel al boekenlang. Toen Godin, held uitkwam dacht ik aanvankelijk: ja, er wordt op volwassen wijze in gevreeën, maar daar gaat echt niemand het over hebben.”

Maar daar gaat het de hele tijd over. Uw boek is vergeleken met Turks Fruit, het is de ‘literaire 50 Tinten Grijs’ genoemd.

„Ik was daar flabbergasted over. In mijn ogen heb ik geen seksboek geschreven, al is dat ook kortzichtig van mij, ik heb niet goed doorgrond hoe makkelijk je de aandacht trekt met seks. Het is als één vies woord op een pagina van vijfhonderd woorden. Als er ergens het woord ‘kut’ staat, is dat het eerste dat je ziet. Ik hou het er maar op dat het literaire landschap over echte intimiteit schraal is.”

Is het boek een ode aan de liefde?

„Nee, zo zie ik het niet. Het besef van verlies zit er ook heel sterk in. Misschien in de zin dat ik ervan overtuigd ben dat de liefde de enige mythe is die we nog hebben. Onze wereld is redelijk ontdaan van mythes en mythisch besef, maar van de liefde kunnen we nog bezeten raken. Rationele overwegingen kunnen altijd uit het raam als de liefde er mee te maken krijgt. Dus, de goden bestaan nog zolang we verliefd op elkaar worden. Voor de liefde mag je weer sterke verhalen verzinnen, de liefde groot maken. Ik wilde mythische tijden oproepen. Ik had daarom ook al snel de titel van het boek – en ik heb titels nooit snel. Godin, held, dat zijn Tessa en Marius voor elkaar.”

Gustaaf Peek groeide op in Hoenderloo, in het groen tussen Apeldoorn en Arnhem. Hij herinnert zich een fijne spanning uit die tijd, de zon, het buitenspelen, slagbal en tegelijkertijd de angst en een heleboel onzekerheid.

„Op de lagere school had ik altijd het gevoel dat ik er niets van begreep. Van de mores. Van wat mensen van mij verwachtten.” Soms als hij het even echt niet meer wist, stond hij stil, letterlijk, wachtend tot iemand hem zou vertellen wat hij moest doen – wat natuurlijk niet gebeurde.

De personages in Peeks boeken zijn buitenstaanders, zoekers, dromers in een wereld van contradicties. Ze dragen allemaal een eenzaamheid met zich mee, of het nu de hunkering is van Marius in Godin, held of de zoektocht van de jonge SS’er Armin Immendorf naar de betekenis van bloedbanden. Ze dragen een gevoel van ontworteling met zich mee dat ook in Peeks persoonlijke geschiedenis is terug te vinden. Van vaderskant komen de excentrieke verhalen over zijn grootouders: een Duitse dandy en een Engelse lady. De chique tak. Zijn Indonesische moeder groeide op in de kampong. De arme tak. Grootvader van die familie had geen ambacht. Hij werkte op het land, vervoerde eten en bouwmateriaal, verkocht wat hij vond.

Welke rol speelt uw familiegeschiedenis voor u?

„Ik heb die uiteenlopende geschiedenissen altijd als een last ervaren. Mijn vader hechtte bovendien heel erg aan de naam Peek, die moesten wij als kind altijd hoog houden. Ik had een getroebleerde relatie met hem en daardoor heb ik jarenlang afstand tot mijn familie gehouden, nu weet ik dat ik het moet accepteren. I have to own it. Het heeft me ook veel opgeleverd hoor. Om te schrijven heb je geld nodig en om het te leren in het tempo waarin ik het heb gedaan: dat is niet gratis. Daar ben ik eeuwig dankbaar voor. Het ene gaat waarschijnlijk niet zonder het ander. Het is altijd quid pro quo in het leven.”

Hoe moest u de naam hooghouden van uw vader?

„Ik was niet zomaar iemand, ik moest me goed gedragen en een nette baan krijgen. Mijn vader zette erg streng in op de westerse kant van mijn identiteit, juist omdat mijn Indonesische moeder wel enigszins afbreuk deed aan dat chique. Maar ja, als je me ziet dan weet je meteen ook dat er iets anders doorheen zwemt. De onbevangenheid om zomaar iemand te zijn, die had ik niet.”

Hoe ging uw moeder daarmee om?

„Mijn moeder volgde de lijn die mijn vader uitzette.”

Toen u uw rijbewijs haalde kreeg u een Mercedes.

„Ja, dat was een stomme zet van mijn pa. Ik wilde gewoon in een ingedeukte studentenbak rijden. Toen ik in Leiden studeerde stond de auto vaak bij mijn ouders in de carport. Verkopen, dat durfde ik niet.”

Wist u toen al dat u schrijver wilde worden?

„Ja, maar tussen weten wat ik wilde en dat ook werkelijk gaan doen, zaten nog een aantal worstelende jaren. Toen mijn grootmoeder in 1997 overleed, twee jaar voor mijn afstuderen, Engelse taal- en letterkunde, kon ik me dankzij de erfenis toeleggen op het schrijven. Dat gaf me een geweldige mogelijkheid. James Ellroy zei eens: I want to write and I want to be with women. Ik dacht: wat genadeloos en wat kloppend. Dat wil ik ook: ik wil schrijven en een vrouw beminnen.”

Hoe reageerde uw vader?

„Die vond het maar niets. Hoe zal ik het eens omschrijven… Op een gegeven moment verloor hij zijn beleefdheid tegenover mij. Als ik iets zei over mijn schrijven dan hakte hij daar meteen op in. Hij haalde me verbaal neer. Ik denk dat mijn verbazing over zijn afhoudende reactie ervoor gezorgd heeft dat ik het veel te lang heb aangehoord. Misschien dacht ik ook wel heel lang dat hij gelijk zou kunnen hebben, dat ik hem moest aanhoren. „Toen ik dertig was verbrak ik het contact. Ik was kwaad op mezelf, dat ik dit al die jaren had toegelaten. Dat was 2005. De chronologie begint zich al aardig af te tekenen. Van twintig tot dertig: man in grot. Van dertig tot veertig: man uit grot, de wereld in. Ik voelde me beter toen we elkaar niet meer zagen.”

In 2012 is hij overleden. Hebben jullie nog een goed moment gehad?

„Nee.”

Heeft zijn sterven u bevrijd?

„Het voelde alsof ik mijn geschiedenis terugkreeg. Ik kan het deksel eraf halen, hij kan er geen invloed meer op uitoefenen. Dat is een opluchting. Ik heb mijn verhaal terug. Maar ja, het blijft jammer, want op een heleboel momenten was hij ook een goede, stimulerende vader. Het had veel beter kunnen verlopen allemaal, maar het zat er gewoon niet in. Een klein beetje antagonisme heeft me ook gevormd. Het zorgde voor mijn geldingsdrang, al had ik graag een wat zachtere stuwing voorwaarts gekregen.”