Alleen het eethutje staat nog

In het Gorkha-district, waar het epicentrum van de aardbeving lag, zijn vrijwel alle huizen ingestort. „Mensen slapen met dieren voor de warmte.’’

Vrijwilligers laden hulpgoederen uit in het Gorkha-district waar het epicentrum van de aardbeving lag; Rechts:Verwoeste dorpen in het Gorkha-district
Vrijwilligers laden hulpgoederen uit in het Gorkha-district waar het epicentrum van de aardbeving lag; Rechts:Verwoeste dorpen in het Gorkha-district Foto’s Philippe Lopez/AFP; Wally Santana/AP

In het kille schijnsel van de volle maan ligt een verwoest dorp aan onze voeten. Na een tocht van ruim tien uur vanuit de Nepalese hoofdstad Kathmandu hebben we het district Gorkha bereikt. In dit gebied lag het epicentrum van de aardbeving die het land vandaag precies twee weken geleden trof.

In Baluwa worden we welkom geheten door een naschok die de benen doet zwabberen en misselijkheid veroorzaakt: kortsluiting van de zintuigen. Dit hoort niet. De mens is gebouwd op de aanname dat de aarde onder je voeten onbeweeglijk is. De schok is kort, maar een stuk heviger dan de naschokken die we voelden in Kathmandu. De dorpelingen slapen buiten, onder tentzeiltjes of in de openlucht. Er stort niets in, er springt niemand op. Honden janken, hun gehuil kondigt de naschokken aan. Er zijn er hier al ruim 160 geteld. Blijkbaar wennen ze.

Als we Baluwa verder in lopen, zien we in het maanlicht niets dan bergen puin met hier en daar een versplinterde deur en wat golfplaten die gebruikt worden voor het maken van daken. Soms staan er nog wat muren of een gevel, en hier en daar zelfs een staketsel met scheef gezakte etagevloeren, maar wat rest is onbewoonbaar. In Baluwa vielen zeven doden en tientallen gewonden. Het dodental bleef relatief laag, omdat het moment van de beving veel bewoners bezig waren op het land.

Er staan nog twee bouwsels helemaal overeind. Het rijkste gebouw van het dorp, met een betonnen fundering. Toebehorend aan een rijsthandelaar. Maar het is verlaten, levensgevaarlijk geworden door de lange verticale scheuren van grond tot dakrand.

Het andere gebouwtje dat intact is, is het enige waar licht brandt. Binnen zitten mensen. Een groepje zwijgende mannen drinkt bier uit grote flessen. Aatapal Gurung, een man van in de vijftig met een wollen mutsje op, heet ons welkom. „Ik kan voor jullie koken”, zegt hij. Dit is zijn eethutje. Dat was het vóór de beving en dat is het nog steeds. Hij runt het met zijn vrouw Maya, zoon Lal en dochter Kumari. Het is als door een wonder overeind blijven staan. Waarschijnlijk heeft geholpen dat het volledig is gemaakt van hout, en dat het geen zwaar dak heeft. Aan de lange voorzijde heeft het geen wand, maar houten pilaren. Dat heeft ervoor gezorgd dat het bouwwerkje meegaf met de beving.

„We gaan elke ochtend open. We koken voor iedereen en we zetten thee. Net als vroeger”, vertelt Aatapals zoon Lal, een twintiger. „Onze prijzen zijn ongewijzigd. Er is voldoende aanvoer van rijst en we verbouwen onze eigen groenten.” Het maal van rijst, groenten en een felle curry smaakt goddelijk na een lange reis door gebied waar voor reizigers weinig voedsel voorradig is. De mensen hamsteren. Wat ze hebben, houden ze zelf. Aatapals avondmaal wordt opgediend op gebutste metalen borden en gegeten met de rechterhand. Bestek is er niet.

Resten dorpsbestaan

Het eethutje staat aan de rand van Baluwa, maar het is nu het centrum geworden van wat over is van het dorpsbestaan. Van ’s ochtends vroeg – Aatapal opent om 6 uur – tot ’s avonds laat zijn er mensen te vinden. Als we in de maannacht het eethutje binnenstappen liggen op de grond en op de bankjes buiten mensen te slapen. „Dit is het enige bouwsel met een dak waarin ze nog durven komen. Ze denken dat mijn eethuisje onschendbaar is”, zegt Aatapal. Hij heeft de boel verstevigd met spijkers en extra touwwindsels. „De naschokken zal ons gebouwtje wel overleven.”

Het is koud buiten. Baluwa ligt op bijna 1.500 meter hoogte. „Zal ik een slaapplaats voor jullie zoeken in een van de tenten?”, vraagt een jongeman die zegt dat hij politieagent is uit Kathmandu, maar gekleed gaat in spijkerbroek en shirt met vegen. We slaan het aanbod af. We slapen in onze jeep. De zeiltjes die her en der gespannen zijn, zijn nodig voor de mensen die niets meer hebben. We kijken onder een ervan. Als we het zeil oplichten klinkt het geblaat van een geit, vastgebonden aan een pin in de grond. „Mensen slapen met dieren”, legt de politiejongen uit. „Dat houdt ze warm. Kijk, zelfs met straathonden.” Inderdaad liggen er twee honden opgerold bij de ruwhouten paal die een van de hoeken van het blauwe zeil ophoudt.

Chai met pepers

De volgende ochtend is het al vroeg druk bij Lal. Er wordt volop chai besteld, de sterke Zuid-Aziatische mix van thee, melk en een krachtige massala: een mengsel van pepers en andere kruiden. Er zijn mannen en vrouwen op leeftijd, met verweerde gezichten. De mannen en vrouwen hebben draagmanden van bamboe bij zich. Ze komen voedsel halen in Baluwa. Het dorp is het eindpunt van de hulp bestemd voor de nauwelijks bereikbare nederzettingen hoog in de bergen. Dorpen met namen als Laprak, Tumsikha en Barpak, gebouwd op berghellingen. Ze liggen bijna een kilometer hoger dan Baluwa. In die dorpen is de verwoesting totaal. Tien dagen na de beving werden er nog steeds lijken onder het puin vandaan gehaald.

„Een deel van ons dorp is van de berg gestort door een landverschuiving”, zegt een man uit Laprak. Hij eet uit een kommetje met waterige dal in Aatapals eethutje. De erwten en bonen waarvan de dal wordt gemaakt zijn schaars. Er wordt vooral rijst aangevoerd. Water is er genoeg uit maagdelijke bergstroompjes. Groenten als kool en wortels verbouwen veel Nepalezen zelf. „We hebben de jongeren achtergelaten omdat we bang zijn voor nieuwe landverschuivingen en lawines. Als er opnieuw mensen bedolven raken hebben we jonge sterke armen nodig.”

De paden zijn geblokkeerd door landverschuivingen, vertelt hij. De voettocht van Baluwa naar Laprak duurt nu tussen de zeven en acht uur. Zelf deed hij er zes uur over. „Maar ik ben een gids voor wandelaars, ik loop hard.” In de dagen na de beving landde er een helikopter in Laprak. Hij nam gewonden mee. De doden werden begraven op de berg – veel bewoners zijn christenen die hun doden niet cremeren. „De helikopter had water bij zich, maar geen voedsel. Dat halen we zelf, hier in Baluwa. Bij Aatapal ontbijt ik na de afdaling. En dan een kop chai als voorbereiding op de klim. Dat deed ik vóór de beving ook.”

Trap naar het luchtledige

Aatapal wil zijn huis laten zien. We dalen af richting de rivier, langs bergen steen met versplinterde raamkozijnen. Op één plek staat een drietredige massief stenen trap die uitkomt in het luchtledige. Daarachter een berg puin die deels de rivierbedding in gestort is. Aan de overzijde van de rivier klauteren de voedselhalers op weg naar Laprak. Kromgebogen met hun manden op de rug, die ze dragen met een band over het voorhoofd. Sommigen hebben met een touwconstructie een zak rijst van twintig kilo op hun rug gebonden. Acht uur lopen, duizend meter stijgen.

Alleen de gevel van Aatapals huis staat nog overeind. Daarachter is alles ingestort. Als we ons een weg worstelen door het puin, stort het linkerdeel van het huis naar beneden. Vallende stenen raken ons op een haar na. Aatapal haalt zijn schouders op. „Niets meer waard.”

De huizen in de bergen zijn gemaakt van flinke bergkeien die op elkaar worden gestapeld en klem gezet met kleine platte steentjes. Daarna worden beide zijden van de muur afgesmeerd met cement en stucwerk. De muren zijn dik, soms wel dertig centimeter, maar ze stortten tijdens de beving in alsof ze gemaakt waren van zand.

Aan de overzijde van de rivier, zichtbaar vanaf de puinhopen van Aatapals huis, ligt een groepje huizen. Het is het gehucht Julunj. Hier vielen vijf doden. Een zesde van het aantal inwoners.

Er rest niets dan wat lichtgekleurde bergen steen waarin kippen en geiten rondscharrelen.

Dit was ons huisje

Een jonge vrouw is bezig twee planken los te trekken uit een stapel stenen. „Dit was ons huisje”, zegt ze. Ze is de eerste die we zien huilen. De mensen in dit gebied zijn Gurkha’s, geharde bergbewoners met een martiale traditie. Ze tonen niet snel emoties.

De vrouw heet Sangi en ze is de wanhoop nabij. „We hebben 7.000 dollar geleend om ons huis te kunnen bouwen. Mijn man is drie maanden geleden gaan werken in Maleisië om de lening af te betalen. Hij is er niet om ons te beschermen.” Ze heeft voedsel nodig voor haar drie dochters. De oudste van 13 is gewond geraakt aan haar arm. „Het lukt me niet rijst en een tentzeil te bemachtigen. Ik kan mijn dochters niet alleenlaten als de hulp wordt verdeeld.” Een bevriende buurman wil haar nu helpen. Ze mag in Baluwa, aan de overzijde van de rivier en dichterbij het distributiepunt, van de planken uit de overblijfselen van haar huisje een onderkomen bouwen naast zijn verwoeste woning, waar hij een tentzeil heeft gespannen. „Misschien moet ik hem een deel van mijn rijst geven. Ik weet het niet. Ik mis mijn man”, zegt ze snikkend.

Als Aatapal Gurung hoort over Sangi, belooft hij een oogje op haar te houden. „Bij mij is altijd voedsel, maar aan onderkomen kan ik haar niet helpen.” Hoe moet het eigenlijk met zijn eigen huis? Kan hij het weer opbouwen? „We werken hard, we hebben vertrouwen in de toekomst”, zegt Aatapal, terwijl hij een stapel vuile borden afwast.

„Papa, vertel van Lal”, zegt zijn dochter Kumari streng, maar Aatapal houdt zijn mond.

„We verdienen net genoeg voor ons levensonderhoud”, vertelt Lal even later buiten gehoorsafstand van zijn vader. „We kunnen alleen een huis bouwen als ik in Maleisië ga werken. Ik vertrek zo snel mogelijk.” Een haan loopt parmantig langs de open zijde van het eethutje. Lal gooit een halve uitgeknepen limoen naar het dier. „Ik wil hier blijven om mijn vrienden uit de bergdorpen te helpen. Maar vader heeft gesproken.”