Alle boeken, bokken, bijen de computer in

Museum Naturalis heeft zijn hele collectie van 37 miljoen objecten gedigitaliseerd. Een exportproduct is geboren.

Boven: Een verzameling hommels.
Boven: Een verzameling hommels. Foto’s Naturalis

Op het eerste gezicht lijkt het een gewone expositiezaal, op de vierde verdieping van natuurmuseum Naturalis in Leiden. Aan het plafond hangt een bruinvisskelet, er is een vitrine met opgezette vogels. Maar als je naar links kijkt, vraag je je af: wat gebeurt hier? Een twintigtal mensen zit achter computers. Ze turen beurtelings op het scherm en in grote platte dozen voor hen op tafel. Achter hen staan nog kastenvol van die dozen. Bezoekers mogen meekijken en vragen stellen. Dus, wat zien ze?

In de dozen die Joni Eilbracht verwerkt, zitten stenen. „Op iedere steen plak ik een stickertje met een barcode”, zegt ze. „Die code scan ik in en koppel ik aan een computerbestand. Daarin typ ik de beschrijving over van het oorspronkelijke label dat bij de steen zat.” Zo werkt ze de hele doos door. Stickertje plakken, scannen, typen. En op naar de volgende doos.

Haar collega’s hier in de zaal doen hetzelfde. Net als meer dan honderd anderen, achter de schermen, dag in dag uit. Met zijn allen zijn ze bezig met een megaproject: het digitaliseren van de hele museumcollectie. In de afgelopen vijf jaar zijn 7 miljoen objecten individueel in de computer beland, en nog eens 30 miljoen objecten groepsgewijs: per lade, doos of plank in het depot. Het werk is bijna klaar. Deze zomer is de databank compleet, maar de ‘DigiPortal’ staat nu al online, gratis toegankelijk voor iedereen.

Naturalis is er trots op. Vandaar dat het werk in de expositie wordt getoond. En vandaar dat de verslaggever officieel wordt onthaald in een vergaderkamer met een ovale tafel, een introductiefilm en maar liefst zes museummedewerkers die toelichting geven. Met één zoekopdracht, zo vertellen ze, kun je nu al die museumstukken op je scherm toveren, van schimmel tot steen tot opgezette spiesbok, met bijbehorende informatie. En als het even kan met foto’s van alle kanten.

Waarom dat allemaal nodig is? „Allereerst om die enorme collectie te ontsluiten”, zegt Jeroen Snijders, hoofd ict van Naturalis. „Laten zien wat we allemaal hebben in die toren van twintig verdiepingen. En zorgen dat mensen er ook echt iets mee kunnen.”

Wetenschappers gebruiken de collectie voor onderzoek; onderwijsinstellingen baseren er natuurlessen op. „En er is het publieke aspect”, zegt Snijders. De collectie is verzameld en beheerd met publiek geld, dus moeten mensen er toegang toe hebben. „Het is onderdeel van ons erfgoed.”

Vijf grote collecties

Het verhaal begon in 2010, zo vertelt hoofd collectie René Dekker. Met het samengaan van vijf grote Nederlandse natuurcollecties: die van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, het Zoölogisch Museum Amsterdam en drie Nederlandse herbaria. Samen heten die nu Naturalis Biodiversity Center. „Uit de aardgasbaten kregen we 30 miljoen euro subsidie”, vertelt Dekker, „om het nieuwe instituut vorm te geven. Daarvan was 13 miljoen bedoeld voor het digitaliseren.”

Dat lijkt veel geld, maar is het niet, want digitaliseren kost een museum normaal vele euro’s per object. Om die stuksprijs omlaag te krijgen heeft Naturalis een waar industrieel proces opgetuigd: zogeheten ‘digistraten’ met lopendebandwerk, 70 voltijds digitaliseerders in Leiden plus nog eens 40 mensen in Paramaribo die gespecialiseerd zijn in het lezen van oude handschriften. Er zijn in totaal tien verschillende digistraten: een straat voor stenen, voor schelpen, insecten en gewervelde dieren. Er zijn twee herbariumstraten, een straat met microscopische preparaten, een sterkwater-, een houtmonster- en een boeken- en tijdschriftenstraat. En zo bleef het project binnen het budget.

Van boeken of herbariumvellen (vellen met gedroogde planten) kun je je nog wel iets voorstellen bij het digitaliseren. Gewoon scannen, complete beschrijving erbij, klaar. Maar hoe digitaliseer je een opgezette vogel, of een leeuwenschedel? Stephanie Schnörr, coördinator digitalisering: „We hebben daar een speciaal, klein team voor.” De een pakt het object voorzichtig uit een doos, de ander maakt er foto’s van, een derde voert de data in de computer in, en de eerste doet het object weer terug in de doos. Bepaalde topobjecten worden in 3D gedigitaliseerd, met honderden hoge-resolutiefoto’s, telkens onder een net iets andere hoek. Schnörr: „Dat 3D-werk is niet geschikt voor massaproductie.”

In het museum, bij de stenenstraat, vertelt Joni Eilbracht dat ze afgestudeerd is als bioloog. „Maar inmiddels vind ik stenen ook geweldig.” Ze maakt geen foto’s van de stenen; dat is niet nodig, en het zou te veel tijd kosten. Soms komen zij en haar collega’s wonderlijke dingen tegen in de dozen of op de planken. Dingen die daar misschien al honderd jaar liggen. Zakdoekjes, een bril, een dure pen, zelfs een blokfluit. En op de etiketten staan soms vreemde teksten. Bij een geprepareerde teek staat: ‘Gevonden op het been van mijn vrouw’.

Eilbracht digitaliseert zo’n 150 objecten per dag. Haar collega’s verderop op het podium verwerken honderd objecten in twaalf minuten. Zij plaatsen glazen microscopie-preparaten per honderd stuks in een frame. Dat gaat in zijn geheel in een scanner: flinterdunne doorsneden van weefsels of van stenen, maar ook bijvoorbeeld stuifmeelkorrels en mijten.

Deze zomer, als het project ten einde loopt, staan Eilbracht en de meeste van haar collega’s op straat. Jammer vindt ze dat – en ook de medewerkers in de vergaderzaal betreuren het. „Het is een enthousiaste club met inmiddels behoorlijke kennis”, zegt coördinator Schnörr. Die kennis, benadrukt collectiehoofd Dekker, is uniek. Nederland kan er wereldwijd de boer mee op. De eerste stappen zijn al gezet. Dekker: „We hebben contact met vijf West-Afrikaanse landen die hun collecties willen digitaliseren.”

Projectleider Maarten Heerlien: „Het Smithsonian Institution in Amerika heeft belangstelling voor de herbariumstraat.”

Snijders: „En vanmiddag komt hier een delegatie uit Berlijn.”